Het boek André Renard van Pierre Tilly1 is een must voor elke syndicale en politieke militant die begaan is met de toekomst van de Belgische arbeidersbeweging in Europees verband.

André Renard was een van die politiek-syndicale symbolen die de voorbije eeuw hun stempel gedrukt hebben op België. Verguisd of bewonderd, ook nu dragen duizenden militanten hem nog steeds in hun hart. De ideologische stromingen waartoe hij behoorde, het anarchosyndicalisme en het nationalisme, zijn vandaag nog sterk aanwezig in de Belgische en Europese arbeidersbeweging.

Deze biografie van de hand van Pierre Tilly geeft ons bovenal een enorme hoeveelheid nauwkeurige informatie over de geschiedenis van zowel de christelijke2 als de socialistische en in tweede instantie ook van de communistische arbeidersbeweging in België en in Europa van 1900 tot 1960.

Tilly laat zich niet verleiden tot een mystifi catie3 van het personage. Dankzij dit document van 810 bladzijden beschikken we over alle nodige elementen voor een genuanceerde evaluatie.

Van de ene oorlog naar de andere (1911-1939)

André Renard (1911-1962) is geboren in een arbeidersgezin in Seraing. Hij studeert voor technisch ingenieur aan de avondschool. Na zijn legerdienst wordt hij in 1932 aangenomen als tijdopnemer bij de Hoogovens van Espérance-Longdoz. In 1935 steunt hij als vakbondsmilitant het verzet van de arbeiders tegen het systeem Bedaux4 en wordt hij ontslagen.

Welke invloeden heeft Renard ondergaan? Begin 1900, op het ogenblik van de groepering en eenmaking van het syndicalisme met de Belgische Werklieden partij (BWP) in Luik: “ontegensprekelijk werd hij beïnvloed door het anarchisme en de ideeën van Proudhon (…) Een kern van revolutionaire syndicale militanten komt in het vakbondsblaadje Travail openlijk op voor arbeidersautonomie tussen het ‘reformistisch socialisme’ en het ‘autoritair communisme’. (…) Alleen een politiek onafhankelijke vakbond met revolutionaire doelstellingen en georganiseerd op federalistische basis kan een dergelijke autonomie garanderen.”5 Maar als in oktober 1911 in de provincie Luik de metaalvakbond wordt opgericht als een afdeling van de Centrale der Metaalbewerkers van België (CMB), maakt die deel uit van de syndicale commissie van de BWP (het vooroorlogse syndicaal comité van het ABVV, nvdr). Bovendien passen ze het dubbele lidmaatschap toe (elk vakbondslid wordt automatisch ook partijlid).

In 1921 wordt deze vakbond door elkaar geschud door een staking van negen maanden, geleid door Julien Lahaut, vakbondssecretaris van de CMB en toekomstig communist. De leiding van de CMB zal de staking desavoueren en in 1924 zullen de communisten worden uitgesloten van kaderfuncties in de vakbond.6

Als basismilitant speelt André Renard een actieve rol in de algemene staking in de zomer van 1936 en hij klimt op tot het uitvoerend comité van de centrale in Luik. In die periode bestudeert hij het Scandinavische model van medebeheer en begint dit te verdedigen. De Belgische socialistische arbeidersbeweging staat in ruime mate achter dit model. Onder homogeen socialistische regeringen verdeelt men er de vruchten van de productiviteit. Het is een soort sociaal pact waarbij de patroons het recht om zich te syndiceren en het recht op onderhandeling erkennen. De vakbond van zijn kant erkent het privilege van de bazen om aan te werven en te ontslaan en om het werk te leiden en te organiseren.7

Diepgaande invloeden

Een van de figuren met zeer veel invloed op Renard was de socialistische leider De Man (1885 -1953). In Au delà du marxisme (1929) verklaart De Man dat het marxisme als socialistisch project voorbijgestreefd is. Hij verwerpt ook het idee van de klassenstrijd. De Man werkt een Plan van de Arbeid uit, volgens hem de oplossing voor de crisis van de Belgische economie. Hij tekent een weg uit tussen “het wilde kapitalisme en het communistisch dirigisme”: de geleide economie. De Man merkt op: “Het fascistisch nationalisme doet beroep op impulsieve politieke krachten die het socialisme de voorbije tien jaar te veel verwaarloosd heeft.”8 Hij is geen voorstander van de nationalisering van de hele economie. Hij is voor het behoud van een vrije sector, maar wil deze economie bevrijden uit de greep van het fi nancierskapitaal. In de jaren 1950 zal Renard deze stellingen hernemen. Hij zal zich opstellen als voorstander “van de strijd tegen de greep van de banken op de fabrieken en voor een stap in de richting van het socialisme.”9

Wanneer in 1937 de strijd voor het Plan over zijn hoogtepunt heen is, stelt Renard het bezit van de productiemiddelen en een rechtvaardige verdeling van de voortgebrachte rijkdom uit tot later. De meerderheid van de bevolking moet immers eerst meer inzicht krijgen in de rol van trusts en kartels en van de banken. Hij is van mening dat “deze meerderheid redelijk snel kan worden bereikt: door opvoeding. Het doel en de inhoud lopen gelijk met de marxistische stellingen, maar de middelen verschillen (beroep op de paritaire comités).”10

De Man zal evolueren naar autoritaire en fascistische standpunten die André Renard niet deelt.

Naast De Man zal ook Emile Vandervelde (1866-1938) met zijn boek Het socialisme tegen de staat (1918) een invloed hebben op de opvattingen van Renard over arbeiderscontrole.

Een derde bron van invloed is Georges Sorel (1847-1922), een theoreticus van het Franse syndicalisme. Hij zet de producenten op het voorplan in de samenleving, verdedigt de onafhankelijkheid van de vakbond en is voor de directe actie.

Op het ogenblik dat in Spanje de burgeroorlog tegen de fascistische staatsgreep van generaal Franco uitbreekt, voert Renard verschillende syndicale opdrachten uit in Spanje. In tegenstelling tot wat in krant La Wallonie werd beweerd, heeft hij nooit deel uitgemaakt van de Internationale Brigades.11

Renard is verwikkeld in de breuk tussen de syndicale jongeren en de socialistische jonge wacht (SJW), waarin socialisten en communisten samenwerken en die een belangrijke rol speelde in de staking van 1936. Hij verzet zich tegen de idee van het volksfront en zal zelfs zeggen: “Niet in de eenheidsfronten of andere gemeenschappelijke fronten ligt de beste garantie tegen het fascisme, maar wel in die duidelijke actie van onze partij (de BWP, nvdr.) tegen alle voorstanders van totalitaire methodes, zowel communisten als reactionairen.”12

Na afloop van de staking van 1936 gaat er op initiatief van de regering een eerste nationale Arbeidsconferentie door. Ze resulteert in het vastleggen van een minimumloon, in de eerste week betaald verlof en in de invoering van de 40-urenweek voor zware en gevaarlijke beroepen.

Tilly doet opmerken dat, ook al profileert Renard zich in die tijd als een voorstander van vernieuwing in de socialistische vakbondswerking, hij zich toch volledig integreert in de structuren van de Luikse federatie die geleid wordt door reformistische leiders als Bondas en Delvigne.13

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog behoort Renard eerder tot de pacifistische en anticommunistische strekking.14 Hij keurt het corporatisme van de nazi’s af en wijst erop dat het nazisme aan de macht is kunnen komen door te profiteren van de verdeeldheid in de Duitse arbeidersbeweging. Hij blijft vaag over de verantwoordelijkheid van de sociaaldemocraten (die het door de communisten voorgestelde eenheidsfront weigerden – nvdr.) en slingert de communisten felle verwijten naar het hoofd als op 30 september 1939 het Niet-Aanvalspact tussen Duitsland en de Sovjet-Unie wordt gesloten.15

Opvattingen en praktijk van André Renard (1940-1952)

Gemobiliseerd in 1940, wordt Renard op 29 mei 1940 krijgsgevangen gemaakt, een dag na de capitulatie van België. Hij wordt naar Duitsland gestuurd, maar in 1942 vrijgelaten omwille van gezondheidsredenen. Hij zou geschreven hebben naar Henri De Man (ex-voorzitter van de BWP, die zijn partij heeft ontbonden en de nazi’s verwelkomt als bevrijders – nvdr.) om een goed woordje te doen voor hem en veertien van zijn Waalse medegevangenen. Volgens historicus Rik Hemmerijckx zou hij op dat ogenblik positief hebben gestaan tegenover de UHGA (de Unie van Hand- en Geestesarbeiders), de collaboratievakbond die door Henri De Man in het leven was geroepen. In elk geval is de Federatie van Metaalbewerkers bij de terugkeer van Renard een subcommissie van de UHGA. “Renard zou het na de oorlog hebben over een regelrechte opeising door de UHGA vanwege zijn vroegere hoedanigheid als vakbondsmilitant.”16

Later zal hij in het verzet gaan. Vanaf eind 1943 leidt hij een semiclandestien leven. Hij is geen lid van het Onafhankelijkheidsfront, maar wel van het Bevrijdingsleger. Daar richt hij de geheime dienst Socrates op, actief in het ophalen van financiële steun voor werkweigeraars (arbeiders die weigerden in Duitsland te gaan werken). De Socratesgroep zelf onderhoudt banden met het Bevrijdingsleger, het Onafhankelijkheidsfront, de socialistische leiders en de socialistische vakbond. In september 1943 creëert hij de KJ3, een inlichtingen- en actiedienst. Toekomstige syndicale vrijgestelden van de metaalvakbond werken hieraan mee. Op het einde van de oorlog heeft hij de graad van adjudant bij de inlichtingsdienst van het leger, erkend door het verzet.17

Al onmiddellijk na zijn terugkeer in het land in 1942 wordt hij syndicaal actief. Hij krijgt voor zijn activiteiten een cofinanciering van baron Paul de Launoit, een belangrijk financier van anticommunistische en fascistische bewegingen, maar die ook het verzet hielp. Het lukt Renard om de SSK-CLS (Communistische Syndicale Strijdcomités) in Luik te fusioneren met zijn eigen organisatie (MMU). Samen vormen ze het MSU (Mouvement syndical unifié). Op die manier haalt hij de strijdcomités uit hun communistische verankering. Het ontslag van Robert Lambion uit de KPB (Communistische Partij van België) om het MSU te gaan leiden, is hiervan een bewijs.

In november 1944 publiceert Renard Pour la révolution constructive (Voor de constructieve revolutie), een tekst van 1943 waarin hij een nieuw maatschappijmodel voorstelt. Hij is voor de afschaffing van de loonarbeid en dat kan bereikt worden door de economische democratie. Hier verdedigt hij al de strikte scheiding tussen de rol van de vakbondsmilitant en de politieke militant. Een vakbondsmilitant zal zich niet kandidaat mogen stellen voor mandaten of functies in een politieke partij.18

Van Luik naar het nationaal secretariaat (1944-1946)

Bij de bevrijding organiseert de MSU van Luik een week lang een regionale algemene staking.19 Een nationale arbeidsconferentie20, waaraan Renard niet deelneemt, resulteert in een loonsverhoging van 40 % voor de geconventioneerde lonen met een schadevergoeding van 20 % voor de bevoorradingsproblemen. De MSU had een schadevergoeding van 30 BF per dag geëist in plaats van de loonsverhoging van 60 %, gevraagd door het Belgisch Vakverbond (BVV) en het ACV.

In diezelfde periode gaat op 31 oktober 1944 een eerste ronde tafel door tussen alle syndicale organisaties van het land, met inbegrip van het ACV. Maar als op 8 november een voorlopig comité voor de eenmaking samengesteld wordt, doet het ACV in naam van het syndicaal pluralisme niet mee. Renard slaagt erin om grote delen van zijn document La révolution constructive te laten goedkeuren als beginselverklaring van de nieuwe organisatie. 1945 wordt dan het jaar van de moeizame stichting van het ABVV. Renard tracht op de eerste plaats de MSU, zijn Mouvement Syndical Unifi é in Wallonië te consolideren. De communisten formaliseren in heel het land hun strijdcomités via het BVES (Belgisch Verbond van Eenheidssyndicaten). Onder dreiging van een fusie van MSU en BVE, aanvaardt het oude BVV tegen eind april 1945 het Stichtingscongres bijeen te roepen. Dit congres wordt overheerst door het debat over het al of niet cumuleren van politieke en syndicale mandaten. De communisten vormen een coalitie met het oude BVV tegen de visie van Renard. Zij zullen een lichte meerderheid behalen voor “het uitstellen van de beslissing over de principiële onverenigbaarheid van de cumul”.

Op het tweede ABVV-congres in december 1945 blijft de communist Dejace lid van het nationaal secretariaat ten nadele van Renard die niettemin voorzitter wordt van het ABVV van Luik. In Luik resulteerde de fusie van de organisaties in een tweederde meerderheid voor de MSU. De spanning loopt er hoog op omdat het cumulverbod leidt tot de uitsluiting van meerdere communistische militanten. Wanneer Le Drapeau rouge een vergadering bijeenroept waar Dejace, nationaal secretaris van het ABVV maar ook leider van de KPB, een toespraak zou hebben gehouden voor communistische vakbondsmilitanten, reageert Renard furieus. Hij verkrijgt van ABVV-nationaal dat “ABVV-secretarissen geen vakbondskaders mogen samenbrengen onder de vlag van een politieke partij.”21

In 1945-46 zal hij proberen tot een eenmaking te komen van het ABVV en ACV in Luik. Een kwart van de CCMB, de christelijke metaalbewerkers van Luik, sloot inderdaad aan bij de MSU. “Eenmaal de oorlog beëindigd, praten de belangrijkste syndicale verantwoordelijken, zowel christelijke als socialistische, nog maar over een ding: structuurhervormingen. De Belgische beweging laat de arbeiderscontrole vallen. In de plaats hiervan komt een formule met veel bredere betekenis, het medebeheer.” Het model van André Renard wordt uiteengezet in een boek, gepubliceerd door het Luikse ABVV in 1946 Le nouvel homme, Homo syndicus. In de staat van morgen zijn het de vakbonden die geroepen zijn om, als de woordvoerders van de wereld van de georganiseerde arbeiders, de staat te organiseren enkel en alleen ten voordele van de werkers. Maar hij stelt de kapitalistische krachten gerust. “De eis voor medebeheer mag niet overkomen als een daad van brutaliteit en, ondanks de diepgaande transformatie in de sociale verhoudingen, heeft het medebeheer geen uitdrukkelijk revolutionair karakter.”22

Toenemende macht in het interprofessioneel vakbondsapparaat (1947-1952)

In november 1947 dient de regering-Spaak, onder druk van de arbeidersbeweging, een kaderwet in voor structuurhervormingen in de organisatie van het bedrijfsleven (ondernemingsraad, nationale arbeidsraad, centrale raad voor het bedrijfsleven).

1948 zal belangrijk zijn voor de toenemende alliantie tussen Renard en de Belgische Socialistische Partij (BSP) om de communisten te isoleren en uit te schakelen. Syndicale eenheid is voor hem geen doel op zich. Voor alles wil hij verhinderen dat de communisten de leiding veroveren over vakbond. Hij helpt de ABVV-leiding om zich in januari te ontdoen van Dejace, de communistische nationaal secretaris. Maar hij zal zelf de prijs voor deze operatie betalen. De nationale leiding weigert om twee militanten van de MSU te coöpteren in het nationaal bureau.

Hij neemt ontslag uit zijn functie als nationaal secretaris. Achter deze manoeuvres vermoedt hij de hand van de BSP en de KPB. Voor het eerst positioneert hij zich als de verdediger van de Waalse belangen.23

Ook in het internationaal syndicalisme gaat het steeds meer de kant op van een scheuring. Renard was in 1945 een van de onderhandelaars geweest voor de oprichting van het WVV, het Wereldvakverbond. Maar begin 1949 trekken de Amerikanen, de Nederlanders en de Engelsen zich terug uit het WVV. Het ABVV beslist hetzelfde te doen. In Luik stelt Renard lijsten op van vakbondsmilitanten die uitgesloten moeten worden op basis van hun deelname aan activiteiten van de communistische partij. Deze beweging gaat gepaard met een toenadering tot de BSP in de Gemeenschappelijke Socialistische Actie (waarvan ook de coöperatieven en de socialistische mutualiteit deel uitmaken). “Het ABVV-congres van februari 1948 ziet de invloed van de ‘rechtervleugel’ van het ABVV toenemen als gevolg van de uitsluiting van de communisten.”24 Renard lanceert zelfs een oproep tot de paus voor een nieuwe encycliek. Is het zuiver tactiek wanneer hij in Volonté schrijft dat het christelijke gedachtegoed tot een dergelijke graad van rijpheid is gekomen dat de termen “socialisme” en “socialisatie” hen helemaal niet meer bang maken en dat het tijd is voor de christenen om over te gaan tot daden?25

De nabijheid van de parlementsverkiezingen van 1949 is zeker niet vreemd aan deze toenadering. Maar na deze verkiezingen komt de BSP (29 %) voor de eerste keer sinds de bevrijding in de oppositie terecht. De communisten zijn de grote verliezers en het ABVV zal hiervan profiteren. Het weigert het voorstel van de KPB om deel te nemen aan het gemeenschappelijk actiecomité, dat een Handvest voor de Arbeid formuleert als gemeenschappelijk programma.

De allereerste sociale verkiezingen begin 1950 geven het ABVV met 61,42 % het overwicht, behalve voor de bedienden in Vlaanderen, waar het ACV syndicaal de meerderheid vormt.

De Centrale Raad voor het bedrijfsleven treedt in functie op 21 september 1949. Ze is het sluitstuk van de Renardistische structuurhervormingen. In 1956 stelt Renard echter verbitterd vast dat de grote sociale conflicten volledig worden geregeld buiten deze Raad om. Wat de ondernemingsraden betreft, is het patronaat vooral bang voor “de schadelijke invloed van de socialistische vakbonden die aangetast zijn door marxistische ideeën en de leiding hebben in Wallonië.”26

Renard neemt ook stelling in de Koningskwestie. Hij is bepaald niet zachtzinnig voor Leopold III: “In zijn beruchte verklaring van 28 mei 1940 doet hij een eerste oproep tot economische collaboratie. Het onfatsoenlijke gesjacher van de industriële wapenhandelaars dekte hij toe met de mantel des Konings.” Toch maakt dit van hem geen antiroyalist, want hij zal stellen dat hij, wat hem betreft, de voorkeur geeft aan een koning zoals Albert I.27 In maart 1950 wordt een volksraadpleging georganiseerd over de terugkeer van de koning. Deze geeft 57,68 % stem-men voor de koning en 42,32 % tegen. Er is wel een gevoelig verschil tussen het Noorden en het Zuiden van het land. (In Vlaanderen stemt 72 % voor de terugkeer, in Brussel 48,16 % en in Wallonië 42,11 %.) Het ACV neemt officieel geen standpunt in omdat zij dit een politiek thema vinden, waar zij niets mee te maken heeft.

Het ABVV organiseert protestmeetings en betogingen in het hele land. Op 21 maart verdedigt Renard op het Nationaal Bureau van het ABVV voor de eerste keer het federalisme. Op 26 maart neemt hij deel aan het Waals Congres, een eerder marginale instelling. Hij brengt zowat 85.000 leden aan, intellectuelen en handarbeiders. Hij merkt op: “In deze strijd tegen Leopold III beginnen wij vooral als Walen te reageren. Wij hebben duidelijk het gevoel dat economische democratie in Wallonië mogelijk is. Als we ons sociaal niet kunnen bevrijden in het kader van een gecentraliseerd België, dan moeten wij dit kader doorbreken.”28

Toch aanvaardt het ABVV in april het principe van de delegatie van bevoegdheden aan prins Boudewijn. De crisis veroorzaakt de val van de regering. Op 4 juli bezorgen de nieuwe verkiezingen de BSP een winst van bijna vijf punten. Het ABVV beslist om de BSP openlijk te steunen. Op 20 juli stemmen de Verenigde Kamers voor de terugkeer van de koning. In heel het land breken stakingen uit, die vooral in Wallonië het karakter aannemen van een revolte. In Luik wordt een leidend comité van de beweging gevormd; communisten en ook personaliteiten van de PSC en de liberalen zitten erin. Men zou er zelfs gesproken hebben over een voorlopige Waalse regering, met Renard als minister van defensie. Tilly heeft zijn twijfels over deze versie van de feiten: “Het kan ook de uiting zijn van de wil om de geschiedenis te herschrijven onder het prisma van een vroegtijdige deelname van Renard aan de Waalse beweging.”29 Men kondigt voor 1 augustus een mars op Brussel aan. Twee bataljons van het Belgische leger worden teruggeroepen uit Duitsland. Het ene wordt opgesteld in Henegouwen, het andere in Luik. Op 30 juli eindigt een niet toegelaten meeting in een drama: drie manifestanten worden gedood in Grâce-Berleur.

Als de volgende dag de betogers al in Brussel beginnen toe te stromen, valt de beslissing: Leopold III doet troonsafstand ten gunste van zijn zoon. De mars zal niet doorgaan. In de namiddag bestempelen het Nationaal Bureau en Renard in eigen persoon de zaak als een overwinning over de hele lijn. Op 11 augustus legt Boudewijn de eed af. Op 15 augustus is er een nieuwe regering. Julien Lahaut, beschuldigd van “Leve de republiek” te hebben geroepen tijdens de eedafl egging van prins Boudewijn, wordt voor zijn huis vermoord door ultra-Leopoldistische kringen.30

In oktober 1950 breekt de Koreaanse oorlog uit. Ook België doet mee. Dit geeft aanleiding tot een stemming voor de verlenging van de dienstplicht. Het ABVV stemt tegen. Renard benadrukt dat “tegenover het gestook, zowel van de Sovjet-Unie als van de kapitalisten, we vooral moeten ijveren voor een derde macht, een progressief en vrij Europa.”31

Op binnenlands vlak wordt België geconfronteerd met sterke prijsstijgingen. Na een jaar van stakingen zullen deze in 1951 leiden tot een hete herfst. Akkoorden, afgesloten in de Nationale Paritaire Raad van 20 oktober, staan een extraconventionele verhoging van het uurloon toe. Er komt een eenvormig pensioen, vastgelegd op 25 000 BF.

In maart-april 1952 eist het ABVV op initiatief van Renard, dat een bedrag van drie miljard wordt afgehouden op de winsten. Dit geld moet voor de acht resterende maanden van 1952 als een verhoging van 800 BF uitgekeerd worden aan sociale steuntrekkers, overheidsambtenaren en de privésector. In de minderheid gesteld in de Nationale Paritaire Commissie, dient Renard zijn ontslag in als nationaal secretaris van het ABVV. Maar enkele weken later stelt hij zich kandidaat voor de post van algemeen secretaris van het ABVV. Tijdens een stemming op 16 september wordt hij verslagen door een coalitie van vakbondssecretarissen die mandaten bekleden binnen de BSP, waaronder Major van Antwerpen en Gailly van Charleroi. In een gebaar van verzoening stelt men hem de functie voor van adjunct-algemeen secretaris. Renard aanvaardt. In februari 1953 wordt hij regent van de Nationale Bank van België.

De vakbeweging tussen integratie en transformatie ( 1953-1956)

Gedurende de jaren vijftig komt er een hoogtepunt voor de Amerikaanse invloed in Europa met het Marshallplan voor hulp aan de wederopbouw en de beweging voor de productiviteit. In februari 1948 verklaart het ABVV gunstig te staan tegenover het Marshallplan en eist een vertegenwoordiging in de uitvoerende organen. De AFL, American Federation of Labour, de Amerikaanse vakbond, steunt deze eis van het ABVV: “De Belgische socialistische vakbond treedt in Europa aan als een van de belangrijkste steunpunten voor het plan en voor de sterk anticommunistische politiek van de AFL. (…) De strategie van Major binnen het ABVV is voor alles gericht op een verzwakking van de invloed van de communisten in de eigen rangen. Het Marshallplan en de verwerping hiervan door Moskou vormen de syndicale breuklijn tussen de socialisten en de communisten in het ABVV.”32 Eind de jaren veertig formuleert Renard enkele kritieken op dit plan, maar in het kader van de besprekingen over de productiviteit komt hij terug op het Marshallplan, dat in zijn ogen efficiënt en noodzakelijk is.

De Amerikaanse methodes van bedrijfsvoering breiden zich snel uit in Europa. In België neemt dit de wending van een versterking van het sociaal overlegmodel. De achterliggende idee is deze van economische groei, aangevuurd door de productiviteit en een rechtvaardige herverdeling van de inkomens. In januari 1951 wordt een paritair orgaan, de Belgische Dienst voor Opvoering van de Productiviteit (BDOP) opgericht.

In juni 1953 nemen Lambion en Renard ontslag uit de BDOP. In aanwezigheid van koning Boudewijn wordt in mei 1954 een gemeenschappelijke verklaring over de productiviteit ondertekend. Deze samenwerking met de patroons leidt in versneld tempo tot economische verandering. Er komt meer mobiliteit en de kolenmijnen gaan dicht. Aan het Eerste Nationaal Congres voor de productiviteit nemen de vakbonden nog deel, maar op het Tweede Congres in 1959 haken ze teleurgesteld af: er zijn 300.000 werklozen!

Een travaillistisch programma voor structuurhervormingen

Renard vindt dat er zowel economische, sociale als politieke hervormingen moeten komen. Hij zet deze ideeën uiteen in de periode van de Koningskwestie en in die tijd gaat de BSP achteruit. De ondernemingsraden bleken een teleurstellende ervaring. Het ABVV voelde zich niet gesteund door de BSP, ondanks de Gemeenschappelijke Actie.

Het ABVV stelt een soort Plan De Man voor. Vakbondsleider Latin zegt op het Nationaal Comité van het ABVV in januari 1949: “We hebben genoeg gepraat over de geplande economie. We hadden een Plan van de Arbeid toen we uit de crisis van 1932-36 raakten. Nu moeten we voor België met kennis van zaken een binnenlands plan ontwikkelen, rekening houdend met het feit dat we afhankelijk zijn van de internationale handel.”33

Binnen de BSP wordt dan een programmacommissie opgericht. De leiding van de partij zit er echter zelf niet rechtstreeks in. De commissie is samengesteld uit Albert De Smaele, van het kabinet van Van Acker, Spaak, Henri Janne, een liberale professor die socialist is geworden, Evalenko van de studiedienst van de BSP en specialist nationaliseringen, Jacques Yerna, een jonge intellectueel van het Luikse ABVV. Drijvende kracht en baas is Renard. Later zal ook de trotskist Mandel aansluiten. Joseph Brusson van de studiedienst van de CMB van Luik zal meewerken in de schaduw. Het is een groep Belgische pragmatische socialisten. Zij zullen de syndicale programma’s van het ABVV voor 1954 en 1956 uitschrijven. De commissie gaat van start in 1951 en het leidinggevend apparaat van het ABVV heeft er geen controle over.

Eén debat hield de commissie in haar greep: moet het ABVV een travaillistische34 of een socialistische positie innemen?

In 1954 keert de BSP terug in de regering samen met de liberalen. De nationaliseringen staan echter niet in het regeerprogramma. Het ABVV van zijn kant keurt in 1954 een eigen programma goed. De BSP, op dat moment aan de macht, weigert dit te onderschrijven. Het programma vraagt de nationalisatie van de steenkoolnijverheid. Maar van meet af aan voegt Renard toe: “Onze voorstellen zijn niet ideologisch: niet alleen werden ze al doorgevoerd in andere landen, maar wij staan ook open voor elk ander voorstel, dat even doeltreffend is als het onze.” Hij vraagt “een NMKN (Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid – nvdr.) als zuivere openbare instelling, gemachtigd om participaties te nemen in bedrijven.”35 In het alternatief van het ABVV neemt de term “soepele planning” een centrale plaats in. “In tegenstelling tot de planning van totalitaire regimes, houdt soepele planning niet de openbare toe-eigening van alle productiemiddelen in.”36 Verder bevat het plan de genationaliseerde energie en de controle op de holdings. Tilly vat samen: “Het komt uiteindelijk neer op het afstemmen van de staatstussenkomst op het privé-initiatief en waar nodig een oriëntatie aan te geven binnen een algemeen kader. Voor een effi ciënte soepele planning moet er op de holdings een zekere controle uitgeoefend worden en moet de energiesector genationaliseerd worden (…).” 37

In 1956 keurt het ABVV een tweede luik van zijn programma goed. Hierin klaagt het de holdings aan voor sabotage van de economie. Een tiental financiële groepen beheren een economisch patrimonium met een geschatte waarde van meer dan 350 miljard BF. Hun politiek in Belgisch Kongo staat haaks op de nagestreefde emancipatie. De staat is de voornaamste schuldenaar van de banken en zij oefenen op zeer effi ciënte manier druk uit op de staat en op de politici. Volgens Renard zou de natie de macht moeten hebben over de holdings en de banken. Toch denkt hij dat een volledige nationalisatie problemen stelt omdat al het genationaliseerde kapitaal terugbetaald moet worden. Dat, terwijl veel geld nodig is voor nieuwe investeringen in functie van economische expansie.38 Om tot socialisme te komen, is medebeheer een noodzakelijke overgangsfase: “Een gelijke macht voor de vertegenwoordiging van de werknemers en de andere belangen in de onderneming, met de staat als scheidsrechter en hoogste bevoegde instantie.”39

Deze opvattingen doorstaan een eerste test bij de oprichting van het Controlecomité voor de elektriciteitsector. Vlak voor het Congres in oktober 1954 benadert de elektriciteitsector het ABVV om een compromis uit te werken. Het ABVV wil hier niet van weten. Het zou immers de idee van nationalisering ondermijnen. En die is juist aan het doordringen bij de mensen.40 Toch starten er na het congres onderhandelingen. Op 15 juli 1955 komt het tot een akkoord: men behoudt het privékarakter van de sector en de vakbond krijgt inzagerecht. Eens te meer moet Renard de duimen leggen. De Belgische elektriciteit zal de duurste van Europa blijven. In 1959 blijft het ABVV weg van de Ronde Tafel over de elektriciteit. Na zijn dood in 1962, wordt in 1964 een nieuw akkoord afgesloten en het Controlecomité voor Gas en Elektriciteit geïnstalleerd.

Een overtuigd Europeaan en internationalist

Renard werkte actief mee aan de opbouw van de Europese Unie. Hij vecht voor de deelname van de vakbonden aan het Permanent Bureau van de Benelux.

Joseph Brusson van de studiedienst van het Luikse ABVV formuleert in 1947 de opvatting van Renard over Europa: “Bouwen aan een socialistisch Europa op mensenmaat, zoals Blum dit voorstond met het socialisme als derde macht in een Europa als derde macht. Het was Europe-se oplossing die zich aandiende als middenweg tussen het Amerikaanse neokapitalisme en de geleide politie-economie van de Sovjet-Unie.”41

De Franse socialistische eerste minister Monnet is tevreden over “de originele bijdrage van de vakbonden aan Europa.”42 Op basis van een nota van Renard geeft het ABVV-Bureau op 6 juni 1950 zijn principiële steun aan het initiatief van Schuman. Op het terrein krijgt het ABVV af te rekenen met de communisten. Zij vinden immers dat “het plan een kapitalistisch plan is, een plan voor sociale achteruitgang en organisatie van economische fiasco’s. Het plan is een oorlogsplan.”43 Maar Renard is niet bang voor de sociale en economische gevolgen van de sluiting van de kolenmijnen, omdat het Verdrag van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal voorziet in een reconversiefonds.44

Daarnaast tracht hij ook het Europese syndicalisme te versterken en te structureren. In Frankrijk is hij vooral FO (Force ouvrière, een door de CIA aangemoedigde splitsing van de CGT, nvdr.) genegen en niet de communistische CGT, noch het christendemocratische CFTC. Hij roept het ABVV op om FO financieel te steunen: “zodat deze kameraden niet alleen Amerikaanse steun krijgen, maar eerder … een Europese hulp, zodat dit volledig openlijk kan gebeuren.”45 Het ABVV draagt hem voor als vertegenwoordiger van de vakbond in de Hoge Autoriteit van de EGKS.

Een apart hoofdstuk gaat in op de rol van André Renard als voorzitter van de Adviesraad bij de Hoge Autoriteit die de EGKS leidt. Voor Renard is Europese integratie geen doel op zich maar een middel om sociale vooruitgang te bevorderen.

Het Europese syndicalisme zal zijn eerste ervaring opdoen binnen het raadgevend comité. Dit comité van de 15, uitgebreid tot 21, wordt opgericht in 1952. Hierin zetelen de verschillende vakbonden van de zes stichtende leden van de EGKS (Benelux, Frankrijk, Duitsland en Italië). Het bereidt de syndicale standpunten voor in functie van de Adviesraad van de EGKS.46 Het blijkt echter zeer moeilijk om tot gemeenschappelijke standpunten te komen. In maart 1958 wordt het comité van de 21 ontbonden. In juli 1958 krijgt Renard een mandaat in het EVV, het Europees Vakverbond. De vakbonden zijn teleurgesteld dat de EGKS niet heeft geleid tot een prijsdaling voor de producenten van consumptiegoederen. De producenten maken vlot gebruik van hun vrijheid voor het aanrekenen van relatief hoge prijzen. Bovendien richt Duitsland in 1951 het grootste kolenkartel van de Gemeenschap op, bekend onder de naam Georg. Dat wringt met de visie van Renard die vooral niet wil dat de EGKS leidt tot versterking van de industriële kartels: “dit leidt duidelijk tot een verhoging van de kapitalistische macht en tot een evenredige daling van de macht van de vakbondsorganisaties. Met de Hoge Autoriteit moeten we streven naar de vernietiging van de kartels.”47

Een eerste strijd op sociaal vlak gaat over een door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) gevraagde gelijkschakeling van de lonen van de nationaal ingeschreven werknemers en van de migranten in de lidstaten. Maar de uiteenlopende sociale zekerheidstelsels staan in de weg. Toch tekenen de ministers van Arbeid in december 1957 het Europees Verdrag voor de Sociale Zekerheid van arbeiders die binnen Europa migreren.

In die tijd bestond in België een duidelijke syndicale strekking die zich verzette tegen het vrij verkeer van werknemers. De vrees bestond dat deze nieuwe buitenlandse arbeiders druk zouden uitoefenen op de relatief hoge lonen van de Belgische werknemers.48 Renard geeft kritiek op de schreeuwende ongelijkheid van de lonen in de zes landen.

Het ABVV staat ook achter de oprichting van een Europese Open-bare Investeringsbank. Op het 45e congres van de CMB eist Renard een basishandvest voor de Europese werknemers. Hij pleit ook voor de opstelling van Europese collectieve arbeidsovereenkomsten in het kader van de EGKS. Voor een publiek van Belgische werkgevers lanceert hij zelfs de idee van een Europese algemene 24-urenstaking. “Op die dag zullen de Europese werknemers beseffen dat ze behoren tot iets dat op een gemeenschap begint te lijken.”49 Een gemeenschappelijke Europese defensie behoort ook tot zijn ideeën, “maar dan zonder dat de consumptie van de burgers het eerste slachtoffer zou zijn van de investeringen voor de bewapening.”50

Tilly heeft het ook over de relaties van Renard met de Oostbloklanden en hoofdzakelijk met de Sovjet-Unie. Na de Tweede Wereldoorlog en vooral sinds de Koude Oorlog in 1948 bestond er een algemeen verbod op contacten met de vakbonden van de Oostbloklanden en in het bijzonder met de Sovjet-Unie. Renard ziet zich tot tweemaal toe een bezoek aan de Sovjet-Unie geweigerd. Uiteindelijk gaat hij er heen in april 1956.51 Hij is vooral geïnteresseerd in de planeconomie. Maar daarnaast denkt hij ook dat een toenadering van het ABVV tot de Sovjetvakbonden de actie van de Belgische communisten in het ABVV kan neutraliseren.52 De gebeurtenissen in Hongarije in 1956 zetten de syndicale betrekkingen op een laag pitje. Daarna zullen ze opnieuw intensiever worden, zelfs in die mate dat Debunne op het ABVV-Bureau aandringt orde op zaken te stellen in deze anarchie. In de jaren zestig, na de dood van Renard, zullen in de Luikse regio de banden tussen renardisten en communisten verstevigen door de samenwerking in de vredesbeweging via de BUVV (Belgische Unie voor de Verdediging van de Vrede) en via de Waalse Volksbeweging (Mouvement populaire wallon).

Renard is, alles bij elkaar genomen, nogal teleurgesteld over de syndicale verwezenlijkingen op Europees niveau: “Het gebrek aan representativiteit van de vakbondorganisaties die aan onze kant staan in Frankrijk en Italië, heeft ons altijd gehinderd in onze actie.”53

Van toenemende spanningen tot het tragische einde

Als voorzitter van de socialistische mutualiteit van Luik heeft Renard een inbreng in de sector van de Ziekte en Invaliditeitsverzekering (het huidige RIZIV, nvdr.).

In 1954 ontstaat een conflict tussen het ABVV en de regering van socialisten en liberalen. De geneesheren eisen dat het derdebetalerssysteem niet langer wordt toegepast in klinieken en poliklinieken. De socialist Van Acker heeft het zelfs over het misbruik van de invaliditeitsverzekering door de arbeidersklasse. Renard reageert woest: “Voor de Koningskwestie, de Schoolstrijd en de Van den Daele-arresten heeft men beroep gedaan op onze organisatie die al haar krachten heeft gemobiliseerd. (…). Als de partij morgen in de oppositie zit, zal ze opnieuw beroep doen op onze organisatie. Voor de kwestie die zich nu stelt in verband met de ZIV, houden ze geen rekening met de mutualiteiten en de vakbonden die gekant zijn tegen een bepaalde oplossing.”54 Artsen en regering sluiten een akkoord dat Renard bestempelt als een mislukking. Hij wijst opnieuw op de centrale eis van het ABVV voor een nationale gezondheidsdienst. Hij noemt de ZIV een bron van winst voor de farmaceutische industrie: “De productie en de distributie van farmaceutische producten is een voorbeeld van het wanbeheer op het gebied van de ZIV. Iedereen is op de hoogte van de feiten, maar tot op vandaag kon men geen enkele prijzencontrole invoeren.”55 In 1958 en 1959 herneemt het ABVV onder impuls van Renard de eis voor gratis geneeskunde, als een van de vier hoekstenen van het ABVV-programma.

Op initiatief van de trotskisten, waaronder Ernest Mandel, verschijnt in december 1956 het eerste nummer van de krant La Gauche. Doel: de oprichting van een brede, georganiseerde linkervleugel van de BSP. De krant wordt gedrukt op de persen van La Wallonie. Maar drie jaar later, in 1959, blokkeert Renard het verschijnen van het zesde nummer. De krant riep op tot algemene staking uit solidariteit met de stakende mijnwerkers in de Borinage. Geleidelijk verslechteren de verhoudingen en in januari 1961 moet La Gauche de persen van de Luikse syndicale krant verlaten.

Na drie opeenvolgende stijgingen van de kolenprijs breekt in de zomer van 1957 een belangrijk conflict uit, na een jaar van sociale onrust over de loonproblematiek. Ook de politieke discussie over de belasting op de kapitalistische winsten neemt toe. Eind 1956 kondigde de regering Van Acker een verhoging van de kinderbijslag en het optrekken van de pensioenen aan in haar regeringsverklaring. Tegelijk wil men echter de lonen blokkeren. Een Nationaal Comité van het ABVV aanvaardt eind december deze voorstellen met een tweederde meerderheid. Tegenover de Luikse metaalbewerkers legt Renard in januari 1957 de klemtoon op de vooruitgang van de voorbije tien jaar, met de 45-urenweek en de tweede week jaarlijks verlof. Maar hij stelt ook een objectief: dubbel vakantiegeld voor de twaalf verlofdagen voor iedereen. Hieraan voegt hij in maart de eis toe voor een loonsverhoging met 60 centiem per uur en betaling van drie carensdagen bij ziekte.

In juni breken stakingen uit. In twee weken tijd telt men 200.000 stakers, vooral in de Luikse regio, maar ook in het Centrum. Tezelfdertijd breekt, voor andere motieven, ook een staking uit in de bouwsector. Renard wil de twee conflicten niet verbinden, ongetwijfeld omdat de staking in de bouw hoofdzakelijk gedragen wordt door het Vlaamse ACV. De verhouding tussen het ABVV en de BSP daalt tot onder het vriespunt. Renard is van oordeel dat hij wel degelijk het recht aan zijn kant heeft, omdat het dubbel vakantiegeld al bestaat voor de metaalbewerkers in Mechelen, Brussel en Antwerpen. Hij verklaart: “Noch de regering, noch de socialistische partij verwijten we iets. Wij hebben het tegen diegenen in de regering, die zich socialist noemen en tegelijk een rechtse koers varen. En tegen diegenen in de socialistische partij die zich opstellen als de woordvoerders van de patroons.”56 Volgens ABVVvoorzitter Major “wil Renard het einde van de partij”. De staking eindigt met een loonsverhoging van 2 tot 3 % in ruil voor sociale vrede tot eind 1958. Renard verdedigt het akkoord en wordt uitgejouwd binnen de vakbondsinstanties van het Luikse ABVV omdat het dubbel vakantiegeld niet werd bekomen. Sinds de bevrijding was dit de eerste grote staking zonder overwinning.

In juni 1958 verdwijnt de BSP naar de oppositie. In september publiceert Renard een brochure Vers le socialisme par l’action (Naar het socialisme door actie). Opnieuw laat hij zich inspireren door het ethisch socialisme van Henri De Man. De BSP verloor volgens hem de verkiezingen omdat ze geen echt sociaaleconomisch programma had. De vakbond, als smeltkroes van de toekomstige samenleving, moet dit programma aanbrengen. “De directe arbeidersactie en de politieke actie zijn helemaal niet tegengesteld. Integendeel, zij ondersteunen en versterken elkaar wederzijds. (…) Arbeiderscontrole in de kapitalistische economie, medebeheer in de socialistische economie, dat is de formule die het best beantwoordt aan de belangen van de arbeidersbeweging.”57 Op het vakbondscongres in oktober vraagt ABVV-Nationaal aan de BSP om de wetsontwerpen met betrekking tot de energiesector, de planning van de economie, het voltijds werk en de gratis geneeskunde in overweging te nemen. In Luik wordt de gemeenschappelijke actie hersteld. Daarop belooft het BSP-Congres de structuurhervormingen opnieuw op te nemen in het offi cieel partijprogramma. Dit moet gebeuren tijdens een Buitengewoon Partijcongres, te houden binnen de zes maanden.

Van 1957 tot 1959 zullen 20 % van de mijnwerkers in België hun werk verliezen. Al zeer snel zal Renard de nationalisering van de kolenmijnen voorstellen. Dit idee komt niet exclusief toe aan de socialistische syndicale beweging. Renard steunt de sociaalchristelijke Bertrand van Limburg. Deze verklaart op de Centrale Raad van het ACW dat, als nationaliseren het enige middel is om de holdings in de pas te laten lopen, dit dan ook moet gebeuren. Men gaat in de richting van een openbare maatschappij van de Belgische kolenmijnen, vergelijkbaar met de oplossing die werd gevonden voor de elektriciteitsector. Per kolenbekken komt er een maatschappij, bestaande uit de overheid, de privébelangen en werknemers. Maar met het oog op de reconversie van de mijnwerkers die het slachtoffer zijn van de sluitingen, ijveren de vakbondsorganisaties vooral voor een tussenkomst van de EGKS.

Het Congres van de Waalse socialisten spreekt zich in juni 1959 uit voor federalisme met drie. Toen al diende het federalisme zich aan als een geschikt politiek middel om het programma van structuurhervormingen te realiseren. Renard laat de leiding van de BSP weten: “dat voortaan het socialisme het bewijs moet leveren dat het al zijn krachten inzet voor de strijd tegen het kapitalisme en wegnemen van zijn bestaansreden. Dan zal de notie van syndicale onafhankelijkheid geen zin meer hebben en ophouden te bestaan.”58 Op het Buitengewoon Congres van de BSP van september 1959 staat Renard op het voorplan. De partij aanvaardt het syndicaal programma voor structuurhervormingen.

In juli voeren de wetten-Eyskens conjuncturele en regionale hulp in. Men richt een Bureau voor Economische Programmatie op in oktober. Een jaar later wordt dit het Economisch Expansiecomité. “Het begrip economische expansie verdringt de slogan van productiviteitsverhoging.”59 In de lente van 1960 kondigt men de bouw aan van de staalfabriek Sidmar. Renard stelt dit voor als een guillotine voor Wallonië. Hij zal er echter niet in slagen de arbeiders massaal tegen dit project te mobiliseren. In januari 1960 lanceert het ABVV een algemene staking om de bijeenroeping van een sociaaleconomische conferentie te bekomen. Een nieuwe staking van de mijnwerkers uit de Borinage breekt uit in maart. Diezelfde maand betoogt de ACOD voor stakingsrecht en minimumloon. Uiteindelijk komt er op 11 mei 1960 op nationaal niveau een sociaal programma-akkoord. Het formuleert het principe van de sociale programmatie, de toekenning van voordelen aan alle loontrekkers (in feite is dit het begin van de interprofessionele akkoorden, nvdr.), voorschotten op het vakantiegeld en de kinderbijslag. Het geldt voor drie jaar en is gekoppeld aan sociale vrede.

De Eenheidswet en de staking van de eeuw: een onvoorstelbare breuk

Op 4 november 1960 dient de derde van regering Gaston Eyskens een kaderwet in bij het Bureau van de Kamer. De wet handelt over de overtredingen bij het toekennen van werkloosheidsvergoedingen en wil de medische controles verstrengen; in de openbare diensten wil ze de pensioenleeftijd verlaten en de afhoudingen op de overlevingspensioenen verhogen. Dit is de fameuze Eenheidswet. Op 20 oktober hadden de BSP en het ABVV gezamenlijk de “Operatie waarheid” ingezet. Op 2 november roept Renard een vergadering bijeen van de Waalse militanten van het ABVV. 9 november verklaart het ABVV dat het zich tegen de wet verzet. Op 17 november verzamelen in het kader van een studiedag 64 vrijgestelden van de Waalse afdelingen, de onofficiële voorloper van het Waalse ABVV. Ze plannen een betoging in Luik voor 15 december. Een eerste werkonderbreking van twee uur komt er al op 21 november in heel het Luikse industriebekken. Daar kondigt Renard tijdens een meeting aan: “We zullen even ver gaan als in 1950.”60 Als enige verspreidt hij het ordewoord voor een halve dag staking op 14 december. De meeste Waalse regionales van het ABVV sluiten zich aan. Volgt een open brief aan het ACV en zijn voorzitter Cool met de vraag ook mee te doen. Het ACV van Charleroi zegt ja, ondanks de terughoudendheid van hun nationale structuren. Op 14 december telt men uiteindelijk 138.708 stakers.

Renard wil in januari verdergaan. Het Uitgebreid Nationaal Comité van het ABVV van 16 december verwerpt zijn vraag om te beslissen over het principe van een algemene staking. Een 24-urenstaking ergens tussen 1 en 15 januari zou dit in de praktijk op gang kunnen trekken. “De achtduizend stemmen van de Algemene Centrale van Luik ontsnappen Renard. Een onthouding van de Brusselse regionale, die in de actie nog radicaler is dan de Luikse, bekrachtigt zijn nederlaag. De stemming in de centrales, en meer bepaald binnen de ACOD, geeft wel een meerderheid voor de motie van Renard, ook al kreeg ze niet de steun van de metaalarbeiders van Gent en Antwerpen. Consequentie en logisch gevolg van de stemming: ondanks de lange duur van het conflict, dat begon op 20 december, zal de nationale ABVV-leiding nooit het ordewoord algemene staking lanceren.”61 Het zijn de gemeentelijke en provinciale werknemers van de ACOD, die een staking tot de finish beginnen. In Wallonië wordt ze ruim opgevolgd. Maar ook de Christelijke Centrale van de Openbare Diensten in Antwerpen sluit aan. Dezelfde dag gaan ook ACEC en de Haven van Antwerpen in staking. In Luik begint het ook te roeren, maar Renard is tegen. Hij probeert de arbeiders aan te zetten om terug aan het werk te gaan. Na het conflict zal hij de vakbondsafgevaardigden sanctioneren. Aangespoord door August Cool verklaart de nationale leiding van het ACV: “Dit is geen werkstaking, maar een revolutionaire beweging, geprovoceerd door een politieke partij die de normale functionering van onze instellingen wil ontwrichten.” Na de staking zal Renard aan een buitenlandse waarnemer vertellen: “Het Vlaamse ACV is het meest conservatieve bastion van het Belgische christelijke syndicalisme. Het Vlaamse ABVV echter heeft de meerderheid in het Belgische ABVV. Het legt dan ook zijn algemene lijn op aan het Waalse ABVV, dat in Wallonië overal een zeer ruime meerderheid heeft.”62

La Wallonie publiceert op 24 december een oproep tot de soldaten om te verbroederen met de stakers. De krant wordt in beslag genomen. De Nationale Raad van het ACV keurt op 27 december de staking af. Toch zal deze de volgende dag een hoogtepunt bereiken met 320.000 stakers in het hele land. Het Waalse ABVV lanceert voor 3 januari, dag waarop het parlementair debat over het wetsontwerp hervat, “een dag van rouw voor Wallonië”. Op 29 december ontmoet de Gemeenschappelijke Actie BSP-ABVV, Renard inclusief, de pers. Diezelfde dag ontmoet hij in het geheim de voorzitter van het ACV. Hij verzet zich tegen het ordewoord dat La Gauche naar voor schuift: “Mars op Brussel”.

Op 3 januari stelt Renard in Yvoz-Ramet voor de bedrijven en machines niet langer te onderhouden: “l’abandon de l’outil”. Hij komt op voor federalisme en eist de intrekking van de Eenheidswet. “Het socialistische kiezerskorps vertegenwoordigt 60 % van de kiezers in Wallonië. Als er morgen federalisme zou ingevoerd worden, hadden we een regering van het volk en voor het volk.”63

Maar op 5 januari komt er al een verklaring van de Gemeenschappelijke Actie dat er misschien een oplossing kan gevonden worden dankzij een initiatief van de koning. Renard is een van de ondertekenaars. Hij schrijft het memorandum van de zogenaamde “Groep van 16”. In deze groep zitten leidende figuren van zowel de BSP als het ABVV. Volgens Le Monde zou het ABVV een beslissende matigende rol gespeeld hebben tijdens het conflict. Tezelfdertijd lanceert hij het weekblad Combat. Renard ziet dit als een drukkingmiddel op de BSP. Hij wil hiermee de leiding van syndicaal links over de Waalse vleugel van de partij veiligstellen.64

Na incidenten aan het station van Luik-Guillemins overlijdt een betoger. Renard had een menigte van 30.000 mensen toegesproken, waarna een duizendtal was afgezakt naar de stationswijk. Renard zegt dat hij deze reactie begrijpt omdat de arbeiders zich steeds meer uitgesloten voelen uit de maatschappij. De rechtse pers noemt Renard “de Castro van Wallonië, de Luikse Lumumba.”

Hij tracht een tweede front op te richten, maar een collectief ontslag van haar gekozenen valt niet in goede aarde bij de BSP. De Eenheidswet wordt goedgekeurd in de kamer op 13 januari. Op 21 januari wordt de staking opgeschort. Later zal Renard aan Italiaanse militanten uitleggen: “De arbeiders hebben bewezen dat het terrein van de klassenstrijd altijd het enige en echte strijdterrein is en dat alleen de algemene en directe actie van de arbeiders kan wegen op een kapitalisme, waarvan de materiële macht onaangeroerd blijft.”65

Het zijn alleen de Luikse vakbondsleiders die de strijd tegen de Eenheidswet verbinden met structuurhervormingen. Deze laatste bepalen volgens Renard de strategische scheidingslijn tussen de Waalse vleugel van het ABVV en de meerderheidstrekking binnen het ABVV en de BSP. De scheuring binnen het ABVV tussen Smets van de Algemene Centra-le en Renard zal na het conflict verscherpen. Smets eist dat het ABVV-Bureau zich uitspreekt over het federalisme: “Ik begrijp niet dat zij die zich opstelden als de romantici van Europa, die zo verlangden naar de eenmaking van Europa, die een eenheidsvakbond voorstelden voor de arbeiders van de metaalnijverheid en de steenkolenindustrie, vandaag pleiten voor een splitsing van het land.”66 Maar het Bureau weigert tot een stemming over te gaan om een openlijke crisis te vermijden.

Op 29 januari 1961 stemmen 350 vakbondsmilitanten in Saint-Servais voor het voortbestaan van de Waalse Coördinatie om de strijd voort te zetten. Tegelijk willen ze hiermee binnen het ABVV een confederaal systeem afdwingen. Renard neemt op 23 februari 1961 ontslag uit al zijn nationale mandaten. Hij schrijft in Combat “dat de unitaire structuren, zowel van de staat als van de vakbond, een hinderpaal vormen voor het socialisme en voor de economische expansie, terwijl beiden meer dan ooit elkaars voorwaarden zijn”. Zo wordt Wallonië voor hem een prioritaire strijd. En hij citeert de troeven van dit Wallonië: “export, hoge productiviteit en spaarreserves die echter ergens anders opnieuw geïnvesteerd worden door de Brusselse fi nanciële concentratie.” 67 Om zijn doel dichterbij te brengen, richt hij in de lente van 1961 de Mouvement Populaire Wallon (MPW) op. Belangrijkste steunpilaren hiervoor zijn de Luikse metaalarbeiders en het BBTK van Charleroi. De beweging staat open voor “alle organisaties die de belangen van Wallonië en van de Walen boven alle andere plaatsen.”68 De communisten stappen mee in dit initiatief. Renard is overtuigd dat “een federalisme, dat zowel aan Vlaanderen als aan Wallonië zelfstandigheid geeft, in het zuiden van het land de remmende werking van de burgerij zal uitschakelen en in Vlaanderen de kaarten flink door elkaar zal schudden. (…) Het gewicht van de Nederlandstalige burgerij zal afnemen samen met het aanzienlijke gewicht van de Vlaamse christelijke vakbonden die op hun beurt onder druk zullen staan van de Vlaamse socialisten.”69 De KPB probeert een internationale dimensie te geven aan de MPW. Ze stellen voor zich uit te spreken voor algemene ontwapening en tegen alle kernproeven. Renard brengt zelfs een bezoek van een maand aan het nieuwe Cubaanse regime. Om het contact met haar syndicale basis niet te verliezen, besluit de Luikse federatie van de BSP massaal lid te worden van de MPW. (Het zal niet lang duren voor de BSP deze cumul verbiedt, nvdr.) De voorzitter van het ACW, André Oleffe, wil verdere besmetting vermijden. Hij verklaart dat men niet tegelijk lid kan zijn van de MOC (Mouvement Ouvrier Chrétien) en van de MPW. BSP-voorzitter Collard uit zelfs bedreigingen. Hij bezweert de MPW als beweging vlug haar doelstellingen te bereiken. Anders zal zij zich immers als partij structureren en “verdeeldheid stichten, waar de BSP tegen zou moeten optreden, zoals ze dit elke keer heeft gedaan. En altijd met succes.”70

Het Stichtingscongres van de MPW in november 1961 verzet zich tegen de plannen voor een uitgebreid staalcomplex in Zelzate. Niet zozeer uit verzet tegen de industrialisering van Vlaanderen, maar omdat dit een bedreiging vormt voor de Waalse bedrijven. Dit congres herbevestigt opnieuw het federalisme en de structuurhervormingen als haar basisprogramma. De MPW maakt voor het eerst een crisis door in het voorjaar 1962. Renard ontwikkelt een aantal nationalistische standpunten, ook al ontkent hij dit met zoveel woorden. Hij is in staat om tegelijk te zeggen: “Al onze sympathie gaat naar de Vlaamse arbeiders” en “Wij, Walen, wij stellen dus niks meer voor.”71 De interne crisis binnen het ABVV, een gevolg van het bestaan van de MPW, wordt ernstiger. De betoging van 15 april 1962 in Luik wordt een halve mislukking. André Renard sterft kort daarop en daarmee zet het verval van de beweging in.

Conclusies van Pierre Tilly

André Renard is nooit volksvertegenwoordiger geworden. Hij heeft zich altijd vrijwillig beperkt tot de vakbond. Zowel Emile Vandervelde, Sorel als het Charter van Amiens van 1906 van de Franse CGT hebben hem geïnspireerd. Hij is altijd voorstander geweest van syndicale onafhankelijkheid. Hij heeft die duidelijk gebruikt tegen de communisten. Als enfant terrible van de BSP bezorgde hij deze partij lange tijd een slecht geweten. Toch kan men hem geen apolitieke houding verwijten. Integendeel, hij tracht wel degelijk te wegen op het institutionele systeem van België. Globaal genomen was zijn actie voor structuurhervormingen nochtans een mislukking. De tussenkomst van de overheid in de economie nam hand over hand toe. De eerste interprofessionele akkoorden konden worden afgedwongen, maar men blijft ver verwijderd van de planning die het ABVV eiste.

Was hij een anarchosyndicalist of een staalharde sociaaldemocraat? De oprichting van de MSU tijdens de Tweede Wereldoorlog bestempelt hem eerder als het eerste. De stichting van de MPW valt dan weer duidelijker onder politieke activiteit. In Syndicats (de Franstalige tegenhanger van De Werker), het blad van het ABVV, wordt Renard in april 1962 als volgt aangevallen: “Uw opvatting is fundamenteel niet anders dan de doctrine van de eerste Franse CGT die geleid werd door de anarchisten en die stelde dat de vakbond genoeg heeft aan zichzelf. Bijgevolg wilt u deze in de plaats stellen van de partij, van onze partij.”72 Jacques Yerna van het Luikse ABVV ziet in “André Renard uiteindelijk een zeer harde sociaaldemocraat. (…) De arbeidersklasse moest volgens hem via opeenvolgende sprongen vooruitgaan en door directe actie hervormingen opleggen en profiteren van buitengewone historische ogenblikken om een wig te drijven in het kapitalistische systeem. Maar deze visie bleef uiteindelijk steeds binnen de lijnen van de parlementaire democratie.”73 Steunend op de druk die door de massa’s werd uitgeoefend, zocht hij naar de gunstigst mogelijke oplossing, radicaler in woorden dan in daden. Verder woog ook het planisme, overgeërfd van Henri De Man, zwaar door. De ideeën van Keynes en van het besturend reformisme hadden een doorslaggevende invloed op de ABVV-commissie die de ideologische congressen van 1954 en 1956 voorbereidde.

Hij is voorstander van de directe actie, maar dat is niet meer dan een methode naast zoveel andere. Hij wordt aangetrokken door het model van de Amerikaanse sociale verhoudingen waarin vakbonden een politieke rol spelen. Op die manier is het verdedigen van de geplande economie voor hem ook een praktisch middel om zich te verzetten tegen het traditionele overheidsapparaat. Zijn opvatting over nationaliseringen is de volgende: “Het woord doet er niet toe, maar wat belangrijk is, is het doel: controle, macht. En u gaat het voorstellen als de meest geschikte formule om op dit ogenblik resultaten te behalen binnen de instellingen waarover wij beschikken.”74

Een genuanceerde balans

Renard werd geconfronteerd met uitzonderlijke gebeurtenissen, de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het verzet slaagt hij erin de baas te blijven in de Luikse syndicale beweging. Hij doet dat concreet door de bijzonder dynamische communistische cellen eerst te integreren en nadien in de pas te doen lopen. Vanaf eind de jaren veertig wordt hij de incarnatie van de bewustwording van de zwakte van de Belgische economie. Hij smeedt de Gemeenschappelijke Actie van de BSP en het ABVV aaneen in de Koningskwestie en schrijft het Handvest van de arbeid, de basis van hun akkoord. Hij onderhandelt over een compromis in de elektriciteitsector, een bewijs van zijn pragmatisme. De dreiging met nationaliseringen is eerder van retorische aard dan reëel. De verhoopte controle over het functioneren van de bedrijven en de macro-economische investeringen kwam nooit verder dan een embryonaal stadium.

Was Renard de sterke man van Wallonië? In de jaren vijftig sympathiseerde hij met de idee van het federalisme. Hij lanceerde deze strijd publiekelijk als gevolg van de interne ontwikkelingen binnen het ABVV. Toch is het onjuist te geloven dat hij dit orderwoord alleen maar gebruikt heeft om uit het conflict van 1960-61 te geraken. Wanneer men hem ervan zal beschuldigen een Waalse socialistische republiek te willen stichten, merkt hij op dat “het een illusie is te geloven dat het kleine Wallonië cavalier seul kan spelen op dit gebied.”75

Hij is gekant tegen het syndicalisme van het Vlaamse ABVV als een resultante van doctrinaire gematigdheid, zin voor compromis en vasthouden aan het unitaire België. Toch is het duidelijk dat de grote tenoren van het naoorlogse ABVV, Major, Smets en Renard, elk hun eigen territorium, mandaten en invloed hadden bij de syndicale basis. Soms zocht hij toenadering tot het ACV , soms trachtte hij het te isoleren. Het overwicht in socialistische structuren in de Luikse regio voort de boventoon. Al was hij uit op macht, toch stond hij bekend om zijn frequent absenteïsme in bepaalde instanties. Een vergadering van regenten van de Nationale Bank of van het Controlecomité voor de elektriciteitsector zou hij echter nooit overslaan. Hij had ook een heel eigen levensstijl, met sportwagens en jachtpartijen, maar woonde in een eenvoudige arbeiderswoning in Seraing.

Dat hij niet aan politiek deed, maakte dat de arbeidersmassa’s meer vertrouwen in hem hadden. Hij had een autoritaire leidersstijl en was een ongeëvenaarde volksmenner. Renard had een internationalistische visie en zette zich sterk in voor de opbouw van Europa. “Voor kwesties in verband met defensie en veiligheid zat Renard op de lijn van de traditionele uitgangspunten van de BSP. Je kon niet om het Atlantisch Bondgenootschap heen en de rol van de Verenigde Staten was van doorslaggevend belang voor de bescherming van Europa.”76 Als syndicalist onderhoudt hij echter ook diplomatieke betrekkingen met de Oostbloklanden, de Sovjet-Unie en Cuba. Daardoor kreeg hij geen visum voor de Verenigde Staten. Vast staat dat het patronaat veel respect had voor hem. Hij bouwde een netwerk uit van contacten over alle klassen heen. In zijn politieke en syndicale strijd maakte hij gebruik van de invloed die hij had in de strategische sector van de staalindustrie. In echte crisismomenten blijft hij op één lijn met de BSP.

Europa, structuurhervormingen en federalisme: pistes voor de toekomst?

Structuurhervormingen en federalisme zijn woorden die nauw verbonden blijven met André Renard. De analyse van Tilly liet ons de bouwer aan Europa ontdekken.

Nooit in de Belgische sociale geschiedenis kon een vakbondsleider de arbeidersmassa’s zo sterk in beweging krijgen. Dat is ongetwijfeld een punt om strategische lessen uit te trekken. Om zich te verzetten tegen het systeem, om weerstand te bieden aan de aanvallen van het patronaat, om hervormingen af te dwingen, bestaat er slechts één effi ciënt wapen en dat is de klassenstrijd. Men moet goed de dagelijkse noden van de arbeiders aanvoelen, op het juiste moment toeslaan en eisen die het systeem in vraag stellen verbinden met deze directe noden die de massa’s diep beroeren. De economische crisis van de jaren dertig, de gewapende weerstand in 40-44, de Koningskwestie in 1950 of de staking in de winter van 1960 … telkens was het een afspraak met de geschiedenis voor de arbeidersbeweging en haar leiders. De gevolgen van de grote economische crisis van 2009 zullen in de toekomst opnieuw tot dergelijke afspraken leiden die een zorgvuldige voorbereiding vergen.

Krachtige golven van gerechtvaardigde ontevredenheid zullen echter niet volstaan. Een beweging kan rijk zijn aan bezieling, doch arm in haar objectieven. Vandaar de noodzaak om ordewoorden te formuleren, die beantwoorden aan de rechtmatige eisen van de arbeiders tegen de uitbuiting van elke dag. Ordewoorden die hen ook meer bewust maken van de noodzaak het systeem om ver te gooien dat verantwoordelijk is voor deze uitbuiting. Dergelijke ordewoorden kunnen een strijd doen losbarsten die resulteert in bepaalde toegevingen of hervormingen, het antikapitalistisch bewustzijn bij de arbeiders verhoogt en hun tegenstanders daadwerkelijk verzwakt. Zo komt het ogenblik dichterbij dat deze krachten politiek verdreven worden van hun maatschappelijke macht.

Het programma bepaalt het resultaat. Het is niet voldoende de strijd te radicaliseren.

Het is trouwens onmogelijk om de tactiek van André Renard zomaar over te nemen. Zelfs als we de fouten of mislukkingen eruit zouden halen. Men moet eisenprogramma’s opstellen op verschillende terreinen, aangepast aan de actuele situatie. De tactiek zal anders zijn, want ook het bewustzijnsniveau van de arbeiders is vandaag anders.

Europa

Meteen na de oorlog was Renard een pionier in de opbouw van Euro-pa. Bij de oprichting van de EGKS wilde hij de verworvenheden van de arbeiders hierin een plaats geven, allereerst deze van de mijnwerkers en de metaalarbeiders. Veel meer dan dit vandaag het geval is, brachten Renard en anderen de vakbondsorganisaties uit de verschillende landen bijeen om bepaalde belangen veilig te stellen. Maar Renard streefde hiermee vooral iets anders na. Hij mikte op de opbouw van een onafhankelijk blok tussen het communisme en het Amerikaans imperialisme. Betere verworvenheden zouden de arbeiders volgens hem afkeren van het communisme. Vanuit een gelijkaardige fi losofi e ijverde hij voor de sociale zekerheid, het sociaal verzekeringsysteem bij ziekte en ouderdom.

Renard was voorstander van een Europese defensiemacht. Nooit stelde hij de Navo-gezinde politiek van de BSP – Spaak als eerste Navosecretaris was hiervan een overduidelijk bewijs – in vraag. Het drama is dat Renard zich wel bezig hield met de juiste thema’s – daarvan kunnen wij heel wat leren – , maar het ontbrak hem aan een politiek alternatief. Hierdoor versterkte hij in zekere zin het kapitalisme, zijn openlijke vijand, en dit wellicht ondanks zichzelf.

Als men ons vandaag over het sociale Europa spreekt, dan is niet alleen een hersenschim of een illusie. Het is ook een middel om de werknemers te winnen voor het bestaan van het huidige, imperialistische Europa. Als we ooit willen leven in een socialistisch Europa met een eerlijke verdeling van de door de arbeiders geproduceerde rijkdom, dan zullen we deze superstructuur omver moeten werpen.

De structuurhervormingen

“Het syndicalisme wil de krachten van de producenten verenigen. Dat kan alleen buiten de politiek. Zonder rekening te houden met partijen of bestaande doctrines moeten we dus soeverein in alle vrijheid een doctrine uitwerken”, schreef hij.77

Renard bracht flarden van diverse bestaande theorieën samen, een mengeling van anarchosyndicalisme en sociaaldemocratische ideeën. Hij maakte gebruik van marxistische termen, maar altijd op een manier en onder voorwaarden die voor de burgerij aanvaardbaar bleven. De echte theoretische bronnen van André Renard zijn gekend: Emile Vandervelde, de verdediger van de kapitalistische staat die de arbeiders beetje bij beetje moesten veroveren en omvormen tot vertegenwoordiger van het algemeen belang en uitvinder van de formule van de arbeiderscontrole; Au delà du marxisme van Henri De Man, de verdediger van de controle op de holdings en de soepele planning; en Réflexions sur la violence en L’Avenir socialiste des syndicats van Georges Sorel, verdediger van de directe actie, van syndicale onafhankelijkheid en van de algemene staking, als hoogste actiemiddel exclusief in handen van de vakbond.

Het profiel van Renard vormt zich tijdens de nazibezetting en de gewapende strijd hiertegen. Pas aan het einde van zijn leven zal hij hiervan afstand nemen om zich aan te sluiten bij het federalisme. Twee tegenstrijdige elementen zijn kenschetsend voor hem bij zijn terugkeer in België. Enerzijds verkrijgt hij de steun van de grote fiancier en staalpatroon Delaunoit die zichzelf op die manier een vluchtweg bereidt voor na de oorlog. Anderzijds vormt hij een strategisch bondgenootschap met de communistische vakbonden tegen het oude ABVV-apparaat. Dit laatste is immers te sterk onderworpen aan de vooroorlogse BSP die ontspoorde in de richting van het fascisme. In het basisdocument van Renard De constructieve revolutie uit 1943 – het enige dat hij naar het schijnt volledig zelf heeft geschreven – distantieert hij zich van de gewapende strijd, verdedigd door het communisme. Hij wil een hervormd kapitalisme met werkgevers die de arbeiders op voet van gelijkheid behandelen. De vakbond is voor hem een politieke kracht op zich, die een bondgenootschap sluit met de socialistische partij. Door deze alliantie kunnen de verworvenheden van de strijd, verkregen door de directe actie, met als ultiem wapen de algemene staking, in wetten omgezet worden. Dat is anarchosyndicalisme. Renard: “Wij maken een onderscheid tussen de mens in de fabriek en de mens buiten de fabriek. Deze laatste is de burger die met zijn stembiljet deelneemt aan het politieke leven. Dat is het partijlid. De andere is de producent. Door zijn inbreng aan activiteit kan hij tussenkomen in het economische leven. Hij drukt zich uit via de syndicale actie.”78 De politieke democratie is voor hem een feit, de economische democratie moet nog gerealiseerd worden.

Renard militeert samen met de communisten, maar verhindert dat zij ook maar enige sleutelpositie bekleden en dringt hen zijn syndicaal programma op. Het ordewoord voor syndicale onafhankelijkheid zal hij op de eerste plaats tegen hen gebruiken. Hij zal er zich op beslissende momenten nooit van bedienen tegen de BSP, de partij waartegen hij geacht werd dit te gebruiken.

Na de Tweede Wereldoorlog verwachten de arbeiders draconische maatregelen tegen het grootkapitaal. Dat liet zich immers het meest in met het nazisme. De geëiste nationaliseringen betekenen een onteigening zonder schadeloosstelling van de vroegere grote collaborateurs. In de vroegere Oostbloklanden zal eind jaren 40 de nationalisering van collaborateurs de machtsovername door de arbeidersklasse voorbereiden, ook al wordt dit proces voltooid met de hulp van de Sovjet-Unie. In Frankrijk en Engeland daarentegen krijgen de sleutelsectoren een bepaalde vorm van overheidsstatuut. Op die manier onder staatsbeheer gebracht, blijven ze ten dienste staan van het grootkapitaal, dat zelf stevig in het zadel blijft. In België is meteen na de oorlog de kwestie van nationalisaties zelfs niet aan de orde. Midden jaren 50 wordt het land echter geconfronteerd met de versnippering van de elektriciteitssector. De verbruikers en de hele industrie lijden onder de hoge kost van de prijs per kilowattuur. Pas dan dwingen zich bepaalde maatregelen op om de concurrentiepositie van de Belgische industrie te versterken. Iets later worden in de mijnsector gelijkaardige beslissingen genomen. Maar het kolendirectorium lijkt voor deze sector in verval eerder een instelling voor palliatieve zorgen.

Van in het begin neemt Renard afstand van echte nationaliseringen zonder schadevergoeding. Hij is tevreden met een controlecomité voor de energiesector. De staatstussenkomst in deze sector heeft maar tot een ding geleid: concentratie van kapitaal. België evolueerde naar een hypergeconcentreerde en hyperwinstgevende sector, door Suez alleen nog maar binnen te rijven. Jacques Yerna zal in dit verband in 1973 de juiste vraag stellen: “Is de evolutie die we nu zien, niet van die aard dat ze de indruk geeft dat de structuurhervormingen, ‘gerecupereerd’ … door het kapitalistisch systeem, uiteindelijk leiden tot een versterking van dat systeem en bijgevolg tot een verzwakking van de socialistische krachten?”79

Kunnen we niet hetzelfde zeggen over wat gebeurde in de staalnijverheid? In 1973 breekt een structurele crisis uit. De toenmalige vicevoorzitter van de BSP, André Cools, de Luikse leider van de metaalarbeiders, Robert Gillon, en de patroon van de Société Générale, Julien Charlier, zorgen ervoor dat de staalnijverheid onder staatsbeheer komt. Robert Gillon ziet dit als een stap naar het socialisme in Wallonië. Hij is trouwens de stuwende kracht achter een hele reeks zeer indrukwekkende strijdmomenten. Later zou eerste minister Martens over hem zeggen dat hij in 1983 de regering had doen beven. De strijd leidt tot de oprichting van een overheidsbedrijf voor de hele staalnijverheid, opgesplitst in twee Waalse industriebekkens, Luik en Charleroi. Twee van de vier warme lijnen gaan dicht. Ten slotte zal met miljarden van de belastingbetaler, via het Waalse Gewest, een gemoderniseerde staalnijverheid in privé-handen belanden (eerst Usinor, eind jaren 1990, daarna begin 2000 Mittal).

Medebeheer

Het begrip “arbeiderscontrole” kan de indruk wekken dat men niet mee leiding geeft, maar alleen maar toezicht houdt. Renard vervangt de term dan ook door “medebeheer”, vakbonden en werkgevers samen als “gelijken” in de leiding. Hij tracht de vakbondsorganisaties binnen te krijgen in paritaire beheersorganen om de betrokken industriële sector dynamischer te maken. Dat noemt hij economische democratie. Sinds de invoering van het stakingsrecht in 1921 werden de vakbondsorganisaties eerder getolereerd. Er kwamen enkele paritaire commissies. De vakbonden waren geen echte partners, noch van de regering, noch van de werkgevers. Na de Tweede Wereldoorlog zal het toenemend gewicht van de vakbonden hun aanwezigheid in de paritaire organen versterken. Dit creëert de illusie dat het kapitalistische systeem beheerd zou kunnen worden door partners op voet van gelijkheid. Een waarachtige democratie, waar de meerderheid beslist, is onmogelijk als de belangrijke productiemiddelen in handen van financiële en industriële privégroepen blijven. Door de krachtsverhoudingen op dat ogenblik hebben de holdings wel een zekere controle aanvaard, op voorwaarde echter dat daardoor hun concurrentiepositie niet zou verzwakken.

De soepele planning, waaraan de holdings zich na de oorlog moesten onderwerpen, is een idee dat rechtstreeks van De Man komt. We mogen zijn rol niet onderschatten. Hij stond immers jarenlang in voor de vorming van de socialistische en syndicale kaders. Van 1933 tot 1940 was hij de feitelijke leider van de BWP (later BSP genoemd, voor de splitsing in twee partijen). Hij was de vader van de belangrijkste campagne die de BSP ooit in België gevoerd heeft, namelijk die van het “Plan”. Dit Plan pleitte voor een alliantie van alle producenten80 (de arbeiders, maar ook het industrieel kapitaal) tegen de geldaristocratie die de economie wurgde. De holdings moesten niet onteigend worden, maar onderworpen aan een samenhangend plan, geformuleerd door de nationale staat. Door de nationalisatie van het krediet moest de overheidshulp op de sleutelsectoren geconcentreerd worden. “Het geheel overkoepeld door een autoritaire democratie, waarin alle bevoegdheden in handen van de uitvoerende macht (de regering) zouden liggen, terwijl de door de burgerlijke democratie zo geliefde “scheiding der machten” afgeschaft werd.”81 Eenmaal voorzitter van de BWP zal De Man de nazi’s met open armen ontvangen om zijn droommaatschappij te verwezenlijken. Na de oorlog zal De Brouckère, een van de meest linkse leiders van de BSP, op het Bevrijdingscongres van de partij verklaren: “Het ideeëngoed van De Man is al lange tijd geleden in de partij binnengedrongen. De activiteit van De Man is uitgelopen op verraad. Denkt u niet dat er een verband is tussen dat ideeëngoed en dat verraad? Ik heb altijd geloofd in het tegendeel.”82

Renard neemt dus de idee van “soepele planning” over. Deze strijd zou leiden tot de fameuze economische expansiewetten. Enorme sommen overheidsgeld vinden zo hun weg naar het dynamisch kapitalisme.

Het Akkoord van 1954 zette de vakbondsorganisaties en de werkgevers aan tot productiviteitsverhogingen. Tegelijk zou een deel van de winst terugkeren naar de arbeiders via de collectieve arbeidsovereenkomsten. Hier zit eenzelfde logica achter. “De productiviteitsverklaring bekrachtigde voor de eerste keer op papier de grote theorie van ‘het gemeenschappelijk belang’ van kapitaal en arbeiders.”83

Vandaag, aan het begin van de 21e eeuw, mogen we nog altijd dromen van dit concept over de verdeling van de vruchten van de productiviteit. Sinds de structurele crisis van 1973 slagen regeringen en multinationals erin hun theorie over “het probleem van de concurrentiepositie” te doen aanvaarden. Dit gaat zelfs zover dat men indexsprongen en nauwelijks verholen loonsverminderingen aanvaardt. In de tijd van Renard streed de arbeidersklasse voor aanzienlijke overwinningen op loongebied (uurloon, vakantiegeld, inkorting wekelijkse arbeidstijd enz.). Dat er toen een sterk socialistisch systeem bestond op Europees niveau, had ongetwijfeld invloed op de toegevingen die de werkgevers deden. Daarnaast was er ook de noodzaak van de heropbouw van de kapitalistische economie na de oorlog.

Strijd

Sociale verworvenheden van het patronaat willen afdwingen op nationaal en interprofessioneel vlak, dat was het sterke punt van Renard in zijn beste momenten. De gunstige krachtsverhoudingen, een gevolg van het verzet tegen het fascisme, verplichtten de in het defensief gedreven naoorlogse regeringen hieraan mee te helpen. Maar hij wist ook de strijdwil bij de arbeiders aan te wakkeren. Zo lukte het hem om één na één sociale verworvenheden af te dwingen dankzij een indrukwekkende reeks strijdbewegingen in de jaren 40-50. Natuurlijk stond Renard niet alleen. Deze succesvolle strijdbewegingen zijn ook de vrucht van bondgenootschappen, waarin meer dan eens zowel de christelijke syndicale organisaties als de communisten als zeer actieve kracht betrokken waren.84 Uiteindelijk zijn het natuurlijk de door de antifascistische strijd syndicaal en politiek georganiseerde arbeiders die deze verworven hebben afgedwongen.

Als voorzitter van de socialistische mutualiteit in Luik voerde Renard meermaals strijd voor de bescherming van de gezondheid van de arbeiders. Zijn doel was een nationale gezondheidsdienst, zoals die bestond in Engeland. De artsen moesten bezoldigde werknemers worden van een enkel nationaal gezondheidsinstituut, dat instond voor gratis gezondheidszorgen. In België heeft de PVDA bij de oprichting van groepspraktijken, waarin de dokters werken als bedienden en gratis gezondheidszorgen verstrekken, zich concreet geïnspireerd op dit model en eveneens op de principes van de Chinese revolutie die als basisconcept hanteerde: “Het volk dienen”.

De belangrijkste politieke beweging waaraan Renard heeft deelgenomen, is de Koningskwestie. Tegen de monarchie, een overblijfsel van de middeleeuwen, is de enige juiste eis echter deze voor de democratische republiek. Dit was nooit een van zijn eisen. Vooral na de dramatische schietpartij in Grâce-Berleur neemt de sociale beweging revolutionaire vormen aan, maar hij aanvaardt het compromis: de gehate koning doet troonsafstand en zoon bestijgt de troon. De emblematische communistische leider Julien Lahaut van zijn kant zal het met de dood bekopen dat hij bij de eedaflegging van koning Boudewijn in het Parlement opriep voor de republiek. De BSP zal beloond worden voor haar redelijke standpunten. Net zoals onmiddellijk na de bevrijding, wordt ze de stuwende kracht in de regeringen van de jaren vijftig.85

Wij hebben kritiek op het pragmatisme van Renard en op zijn visie over medebeheer in de elektriciteitssector midden jaren vijftig. Men zou hier kunnen tegenin brengen dat de eisen die de Renardistische stroming in die tijd naar voren schoof, sterk gelijken op en zelfs een stuk verder gaan dan de eisen die de arbeidersbeweging vandaag stelt. In 1954 eist het ABVV de nationalisering van de elektriciteitssector. Vandaag staan we daar nog ver van af. Zelfs voor de Partij van de Arbeid van België is het momenteel geen stokpaardje, ook al staat het in haar eisenprogramma. Tijdens de financiële crisis, toen Fortis op de rand van het bankroet stond, luidde de meest linkse eis de nationalisatie van de bank. Geen sprake van een nationalisering van het banksysteem in zijn geheel.

De tijden zijn veranderd. De strijd in de energiesector, die aanleiding zal geven tot de instelling van de Paritaire Controlecommissie, speelt af midden de jaren vijftig. Dit is na de revolutionaire staking in 49-50 naar aanleiding van de Koningskwestie en voor de grote staking in de winter van 60-61. Sindsdien kende België nooit meer een algemene staking. Ook al stonden we daar niet ver van af in 1994, met het globaal plan, en in 2007 met het generatiepact.

Het tijdperk Renard vindt zijn oorsprong in de grote crisis van 1929, in de strijd tegen het fascisme en in het gewapend verzet tegen het nazisme. De arbeidersklasse bezat een rijke strijdervaring voor sociale en democratische rechten. Renard kon hiervan gebruik maken. Hij schoof zeer linkse ordewoorden naar voren. Toch zorgde hij er altijd voor dat de strijd niet buiten de lijntjes van de gevestigde kapitalistische orde liep. De burgerij heeft al deze strijdbewegingen kunnen recupereren. Dat is wat Jacques Yerna vaststelde.

Vandaag moet een linkse partij zich de vraag stellen hoe zij de strijd vooruit kan helpen. Ze staat voor de opdracht het antikapitalistische bewustzijn van de werknemers te verhogen zonder voorbij te schieten aan hun huidige bewustzijnsniveau. Het dient tot niets om voortdurend ultrarevolutionaire slagzinnen te herhalen waar niemand naar luistert. Dat lijkt dan wel heel revolutionair, maar het drijft de werknemers in de armen van rechtse partijen die valse, maar simpele eisen naar voren schuiven. De eisen moeten aansluiten bij het bewustzijnsniveau van de bevolking. Een voorbeeld. Zo is bijvoorbeeld de Partij van de Arbeid natuurlijk wel voor de nationalisering van de financiële sector. Op voorwaarde echter dat dit niet dient om het hele kapitalistisch systeem te redden. Nationaliseringen moeten de positie van de werknemers versterken en hen meer macht geven en gebeuren zonder schadeloosstelling van diegenen die deze rampzalige crisis veroorzaakt hebben. Maar de werknemers moeten deze eis ook realistisch en redelijk vinden. Door de nationalisering van Fortis te eisen, met strenge voorwaarden voor een democratische werking onder controle van de werknemers, kunnen we de ogen openen voor de voordelen van het overheidsbeheer in vergelijking met het geknoei van de privé. Deze bewustwording kan dan het vertrekpunt worden voor een meer ambitieuze strijd.

Ook al zijn we het niet eens met bepaalde doelstellingen van Renard, zoals het federalisme, toch denken wij dat de huidige arbeidersbeweging heel veel van hem kan leren. Hij behaalde opmerkelijke resultaten voor de sociale zekerheid, voor het respect van de werkgevers voor de vakbonden, voor economische eisen enzovoort. Onder zijn invloed beschikt het na de bevrijding opgerichte ABVV over een Beginselverklaring die opkomt voor de socialisering van de voornaamste productiemiddelen (punt 12 van de Beginselverklaring van het ABVV in 1945) en voor de afschaffing van de loonarbeid (punt 1 van diezelfde verklaring).

Lees volgend citaat van André Renard. Het bevat een aantal kostbare raadgevingen voor de huidige vakbondsbeweging. “De arbeidersbeweging mag zich in haar strijd voor structuurhervormingen niet laten benevelen door parlementaire voorwaarden die gewoonlijk ongunstig zijn, of door dagelijkse krachtsverhoudingen die niet erg gunstig zijn voor een revolutionaire aanpak. Op uitzonderlijke momenten en niet in dagelijkse omstandigheden maakt de geschiedenis een sprong voorwaarts. Maar er bestaat geen onverenigbaarheid tussen de rustige gangbare actie en de revolutionaire en snelle veranderingen. De arbeidersbeweging moet zich realiseren dat de dagelijkse actie enkel zin heeft voor het socialisme in die mate dat het een voorbereiding is op deze veranderingen. Ze moet zich dus in haar propaganda en door constante vorming van haar kaders, militanten en leden voorbereiden zodat ze iedere uitzonderlijke kans kan aangrijpen om een groot deel van het kapitalistische bouwwerk te slopen. De diepe golven van de openbare opinie weten te richten op structurele doelstellingen die op rustige momenten buiten bereik liggen, dat moet de betekenis zijn van de socialistische tactiek in de 21e eeuw. Het is duidelijk dat de periode 1932-1936, dat de periode 1944-47, en het jaar 1950 evenveel gemiste kansen waren om echte structuurhervormingen te verwezenlijken. Syndicale en socialistische militanten moeten zich vanaf nu voorbereiden. Ten alle prijze dient vermeden dat de volgende uitbarsting van volkswoede nog maar eens gesust wordt met de belofte van enkele materiële toegiften binnen het kader van het sociaal kapitalisme.”86

Renard, federalist

Voor de grote staking van 60-61 was het ABVV verdeeld over de omvang die de strijd tegen de Eenheidswet op het terrein moest krijgen. Een maand voor de strijd losbreekt, neemt Renard het initiatief om het grootste deel van de Waalse vakbondsecretarissen samen te roe-pen en de strijd voor te bereiden. Op dat moment geeft hij dus elke hoop op om nationaal eensgezindheid te bereiken binnen het ABVV. In volle staking verklaart hij zich openlijk voorstander van federalisme. Hij kon toen misschien nog de illusie voeden dat de BSP met haar meerderheid in Wallonië een linkse politiek zou voeren. Maar wie kan dat vandaag nog geloven met een Waalse PS die niet opgewassen blijkt tegen de neoliberale stroming, ondanks twintig jaar politiek overwicht?

In hun analyse van de geschiedenis van de Commune van Parijs en van de Spaanse burgeroorlogen in de 19e eeuw, beschreven Marx en Engels het federalisme reeds als een anarchistische opvatting over de staat: een patchwork van kleine lokale eenheden die weerloos staan tegen elk ernstig offensief van de reactie. De marxisten zijn voorstander van de gecentraliseerde republiek, waarin de antikapitalistische strijd zich zo breed mogelijk kan ontplooien. Voor de grootst mogelijke eenheid van de arbeidersklasse, ongeacht godsdienstige overtuiging, afkomst of nationale taal. Van bij het ontstaan van België heeft de religieuze of nationale tegenstelling altijd gediend om een bewustwording over de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid binnen de nationale staat te verhinderen.

De vorming van naties en gecentraliseerde, onafhankelijke landen betekende een vooruitgang ten opzichte van de feodale verbrokkeling. Binnen centralistische staten kan men de klassenstrijd voeren op de duidelijkste en meest vastberaden manier. Wanneer verschillende naties één enkele staat vormen, bepleiten de marxisten in geen geval voor het federatief principe of decentralisering.

De federalisten beweren dat hun systeem democratischer is dan een gecentraliseerd systeem. Guy Spitaels, ex-voorzitter van de PS, noemt het federalisme “een moderne vorm van democratie”: “Het invoeren van federale structuren is inderdaad een van de beste garanties voor een efficiënte werking van het overheidsinitiatief. Door het supranationaal karakter kan de staat sterker staan daar waar hij zwak staat, namelijk waar de markt te machtig is. Door de regionalisering kan de staat controle uitoefenen daar waar hij sterk staat, namelijk in het contact met het individu. De federale idee is in werkelijkheid zeer nauw verbonden met het principe zelf van de democratie. We zijn dat een beetje vergeten. Het verdelen van de macht is de kern van het federalisme.”87

Heel goed, kameraad Spitaels. De federale (supranationale) staat is nodig daar waar de markt te sterk speelt. Maar waarom dan de economie regionaliseren of de belastingen? Is de Waalse staat beter gewapend tegen de multinationals dan de Belgische staat?

Het feit dat de Verenigde Staten, de Bondsrepubliek Duitsland en Zwitserland gefedereerde of federale staten zijn, spreekt nochtans op de meest flagrante manier diegenen tegen die beweren dat dit soort politiek ook maar iets te maken zou hebben met het socialisme. Het kapitalistisch systeem schikt zich in heel wat staatsvormen. De arbeidersklasse en haar partij verkiezen echter die vorm die het mogelijk maakt het systeem zo doeltreffend mogelijk te bekampen.

Als politieke stroming lijkt het federalisme eerder een springplank voor klassensamenwerking op regionaal of subregionaal niveau. Fundamenteel zorgt de federalistische hervorming voor een soort nationalistische “cohesie” binnen elke regio. Men verdeelt de werkende klassen van het land en maakt hen elk moment solidair met “hun” lokale burgerij. Deze laatste kan de competitiviteit veilig stellen door minder gecontesteerde en meer doeltreffende bezuinigingen.

Uiteindelijk overheerst de sociaaldemocratie bij de ordewoorden en de perspectieven die André Renard lanceert. Op methodisch vlak staat hij weliswaar soms dichter bij de directe actie, de algemene staking en het hele arsenaal aan methodes van de Franse anarchosyndicalisten. Renard maakt deel uit van onze naoorlogse sociale en syndicale geschiedenis. Uit een extreem ingewikkelde situatie wist hij een zeker voordeel te halen voor de Belgische arbeidersklasse. Het feit dat hij theoretisch niet sterk stond, heeft hem ten slotte het onderspit doen delven. Het federalisme heeft bewezen dat het geen enkel inhoudelijk probleem oplost. Het is hoog tijd een andere richting in te slaan. De efficiëntie van de toekomstige sociale strijd hangt ervan af.

Arikel vn Johnny Coopmans gepubliceerd in Marxistische Studies, nr 91, 2de trimeste 2010.

Noten

1 Pierre Tilly, André Renard, gezamenlijke uitgave van Le Cri en La FAR, 2005.

2 Zijn herkomst van de UCL zit hier zeker voor iets tussen.

3 De auteur neemt afstand van twee mythes: van de mythe dat André Renard deel zou hebben uitgemaakt van de Internationale brigades en gewapenderhand het Spaanse fascisme zou hebben bevochten en van de mythe die stelt dat hij lid zou zijn geweest van een voorlopige Waalse regering tijdens de Koningskwestie.

4 Pierre Tilly, op.cit., p. 44, een speciaal systeem van werkritme.

5 Ibid., p. 59.

6 Ibid., p. 61-62.

7 Ibid., p. 75-81, het Scandinavische model in de jaren 1930

8 Ibid., p. 95.

9 Pierre Tilly, op.cit., p. 106.

10 Ibid., p. 109.

11 Ibid., p. 140

12 Ibid., p. 146. Citaat van André Renard.

13 Ibid., p. 150.

14 Ibid., p. 86.

15 Ibid., p. 89. Pact tussen de Sovjet-Unie en Nazi-Duitsland nadat Frankrijk en Engeland geweigerd hebben om een bondgenootschap te sluiten met de Sovjet-Unie tegen het nazisme en dat de Sovjets kostbare tijdwinst opleverde bij de oorlogsvoorbereidingen.

16 Ibid., p. 718.

17 Ibid., p. 157-163. Rol van André Renard in de inlichtingendienst tijdens de bezetting.

18 Ibid., p. 176.

19 Ibid., p. 178-179.

20 Er zullen er in totaal negen doorgaan in de naoorlogse jaren.

21 Pierre Tilly, op.cit., p. 195.

22 Ibid., p. 206, 213-14.

23 Ibid., p. 265, 267.

24 Ibid., p. 282.

25 Ibid., p. 283.

26 Ibid., p. 292.

27 Ibid., p. 295-296.

28 Ibid., p. 301.

29 Ibid., p. 308.

30 Ibid., p. 294-310. De Koningskwestie en de rol van Renard.

31 Ibid., p. 311-312.

32 Ibid., p. 328.

33 Ibid., p. 362.

34 Om travaillistisch te zijn, dient men elke verwijzing naar marxisme of doctrine achterwege te laten. De eenheid van de arbeiders vereist geruststelling over godsdienst, beginselvast antikapitalisme, staatsinmenging of het dirigisme. Uiteindelijk moet er afstand genomen worden van de BSP en is een eenheid of zelfs fusie met het ACV noodzakelijk.

35 Pierre Tilly, op.cit., p. 375.

36 Ibid., p. 377.

37 Ibid., p. 379.

38 Ibid., p. 386.

39 Ibid., p. 387.

40 Ibid., p. 389.

41 Ibid., p. 416.

42 Ibid., p. 421.

43 Ibid., p. 433.

44 Ibid., p. 446.

45 Ibid., p. 449-450.

46 Ibid., p. 455. Het comité is samengesteld uit 16 producenten, 16 gebruikers en 17 werknemers. Renard vond dat de arbeidersgroep de helft van de zetels moest hebben. (zie p. 464).

47 Ibid., p. 471.

48 Ibid., p. 477.

49 Ibid., p. 491.

50 Ibid., p. 498.

51 Ibid., p. 523.

52 Ibid., p. 527.

53 Ibid., p. 536.

54 Ibid., p. 541.

55 Ibid., p. 543. Over het RIZIV, de mutualiteiten en het gezondheidsbeleid van Renard, zie p. 538-543.

56 Ibid., p. 556.

57 Ibid., p. 563.

58 Ibid., p. 580.

59 Ibid., p. 590.

60 Ibid., p. 604.

61 Ibid., p. 608.

62 Ibid., p. 611.

63 Ibid., p. 618.

64 Ibid., p. 622.

65 Ibid., p. 628.

66 Ibid., p. 630.

67 Ibid., p. 634.

68 Ibid., p. 638.

69 Ibid., p. 641.

70 Ibid., p. 650.

71 Ibid., p. 658.

72 Ibid., p. 669.

73 Ibid., p. 671.

74 Ibid., p. 674.

75 Ibid., p. 681.

76 Ibid., p. 692.

77 André Renard schreef…, p. 56, Compilatie van de FAR (Fondation André Renard). Zie ook: Jo Cottenier en Kris Hertogen, De tijd staat aan onze kant, vakbondsmilitant in de jaren 90, EPO, 1991, p. 215.

78 Idem, Renard, p. 75.

79 Verslag van het colloquium in Pont-à-Lesse, FAR, Arbeidersstrategie voor een socialisti-sche maatschappij, van 3 tot 6 mei 1973, p. 70-71.

80 Lenin schreef: “Marx en Engels hebben genadeloos strijd gevoerd tegen hen die het klas senonderscheid uit het oog verloren, die in algemene woorden spraken over de producenten, het volk en de arbeiders.” Lenin, Œuvres, deel 32, Éditions sociales, 1962, p. 262.

81 Jo Cottenier, Patrick Deboosere en Thomas Gounet, op.cit., p. 106.

82 Ibid., p. 108.

83 Ibid., p. 140.

84 Op dat ogenblik verklaart Renard van zichzelf dat hij een travaillist is, een onvoorwaardelijke verdediger van de eenheid van de arbeidersklasse over alle ideologische en religieuze tegenstellingen heen.

85 Het is niet zonder reden dat de Socialistische Partij bij het honderdjarige bestaan van de BWP in 1986 het boek Le panthéon des grands uitgeeft en dat André Renard hierin vermeld staat.

86 André Renard in Naar het socialisme door de actie, september 1958, p. 51-52.

87 G. Spitaels, Le projet socialiste, oktober 1990, p. 12.

Johnny Coopmans
Johnny Coopmans