Het Sienjaal: een mix van ethisch socialisme en Vlaams nationalisme |Archief MS|

Over het “radicaal-democratisch project” van Maurits Coppieters en Norbert De Batselier

Kris Merckx

Norbert De Batselier (48) is voorzitter van het Vlaamse Parlement, voormalig vice-premier van de Vlaamse regering en belast met de ideologische vernieuwing van de Socialistische Partij. Samen met Maurits Coppieters (76), eresenator van de Volksunie, publiceerde hij in juni 1996, onder de titel Het Sienjaal, een zogenaamd “radicaal-democratisch project” dat de progressieven in Vlaanderen een politiek, sociaal en ecologisch alternatief wil bieden.1 De meest onthutsende ontdekking is dat Het Sienjaal en zijn auteurs onverbloemd teruggrijpen naar het “waardensocialisme” van Hendrik De Man. Dat is een antimarxistische ideologie die de gewezen voorzitter van de Belgische Werkliedenpartij in de jaren dertig naar het fascistische gedachtengoed leidde. En die hem er in juni 1940 toe bracht op te roepen tot collaboratie met de nazibezetters...

Hendrik De Man: het marxisme voorbij en recht naar het fascisme

Hendrik De Man, de toenmalige voorzitter van de Belgische Werkliedenpartij (BWP), richtte op 28 juni 1940, bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, een Manifest tot de socialistische militanten. Daarin kondigde hij de ontbinding aan van de BWP, vroeg hij hen samen te werken met de nazibezetter en bejubelde hij de morele, sociale en militaire “superioriteit” van het naziregime. In deze tekst, die een klassieker van de fascistische literatuur is, lezen we: “De oorlog heeft de ineenstorting van het parlementaire regime en de kapitalistische plutocratie meegebracht in de zogezegde democratieën. Voor de werkende klassen en voor het socialisme is deze ineenstorting van een voorbijgestreefde wereld helemaal geen ramp, maar een verlossing. (…) Jarenlang heeft de hersenspoeling door de oorlogsstokers voor u verborgen wat dit regime (nazisme, nvda), ondanks alles wat het vertegenwoordigt aan elementen die vreemd zijn aan onze mentaliteit, de klassenverschillen op een veel efficiëntere manier heeft verminderd dan de zogeheten democratieën waarin het kapitaal verder de wet bleef stellen. De hele wereld heeft sindsdien kunnen vaststellen dat de superieure moraal van het Duitse leger voor een groot gedeelte te wijden is aan de grotere sociale eenheid van de Duitse natie en het prestige dat er voor zijn overheden uit voortvloeit.”1

In 1990, het jaar dat de contrarevolutie in Oost-Europa triomfeerde, “offerde” SP-ideoloog Norbert De Batselier “heel zijn vakantie op om De Man te herlezen en maakte hij daarover schriften vol aantekeningen”.2 De reden was dat “het socialisme opnieuw in een crisisperiode verkeerde” zoals in de jaren 20-30.3 En de huidige SP-leider vindt de ideologie die De Man in die tijd ontwikkelde “heel actueel, vooral daar waar hij pleit voor een socialisme met gevoel. Over waarden kan je enkel nog wat lezen bij de jonge Marx van voor 1848. De Man (daarentegen) besteedde veel aandacht aan de waarden.” 4 De Vlaamse parlementsvoorzitter vindt de Mans nadruk op “waarden” en gevoelens als basis voor socialistische actie een correct uitgangspunt: “De Man legt uit dat de strijd van de arbeidersklasse geen klassenstrijd is uit zichzelf, enkel om het klassenbelang. Er is een gevoel van onrechtvaardigheid, van niet goed behandeld te worden, (ja, zelfs) een element van naijver in ten opzichte van de patroon.”5 De Batselier neemt ook De Mans psychologisch gezichtspunt over dat “de motivatie van de arbeiders” berust op “het gevoelsmatig instinct van rechtvaardigheid. (...) Het gaat om het gevoel niet als een volwaardig mens behandeld te worden. Dat gevoel speelt ook vandaag in het leven sterker mee dan allerlei materiële elementen. (...) Socialisme put zijn kracht uit die ethische bewogenheid.”6

De Man in 1930: een “passionele belangstelling” voor Mussolini

Bovenstaande citaten van De Batselier komen uit het interview dat Toon Lowette in 1992 van hem afnam. Het is betekenisvol dat De Batselier, bij zijn lofzang op De Man, geen afstand neemt van diens fascistische verleden. Hij negeert het gewoon. Volgens hem “evolueerde de carrière van De Man in een drietal perioden - van marxistisch tot reformistisch”.7 De openlijke fascistische periode wordt niet eens vermeld!

Voor De Batselier lijken de “argumenten” waarmee men in de SP het eerherstel van De Man verdedigt wel een verworven zaak. Die “argumenten” zijn dubbel:

  1. De collaboratie van De Man zou een “ongelukje” geweest zijn te wijten aan diens karakter en persoonlijkheid. Ze zou trouwens gestopt zijn in april 1941 toen de Duitsers De Man spreekverbod oplegden waarna hij zich verbitterd terugtrok in de bergen van de Haute Savoie.
  2. Die collaboratie zou geen uitstaans hebben met de ideeën en projecten (ondermeer het Plan van de Arbeid) die De Man voor de oorlog ontwikkelde.

Deze twee verklaringen zijn vals.

Nemen we het argument van de “breuk” met de nazi’s in het voorjaar van 1941. In werkelijkheid was die te wijten aan de Duitsers. Zij gaven er de voorkeur aan om van dan af vooral politiek te steunen op het VNV en Rex, de rivalen van De Man. De verbittering van De Man had niets te maken met een politieke verwijdering van de nazi’s, enkel met het feit dat hij niet zelf de kans kreeg om, onder Duitse vleugels, een Belgische fascistische staat te leiden. Op 6 maart 1941 verklaarde hij nog in een interview in Le Petit Parisien dat hij met de nazi’s wilde blijven collaboreren op de wijze zoals maarschalk Pétain dat in Frankrijk mocht doen: “Het dient gezegd dat de Fransen meer geluk hebben gehad dan wij, vermits ze een regering hebben die hen heeft toegelaten voor de politieke collaboratie met Duitsland een weg in te slaan die, door de omstandigheden, tot nu toe voor België afgesloten bleef.” Een jaar later, in april 1942, als de nazi’s voor Moskou al hun eerste militaire nederlagen hadden opgelopen, herbevestigt De Man zijn fascistisch credo in het bezette Parijs: “Als hij het woord neemt in de Cercle Européen, een van de grote centra der ideologische collaboratie met het nazisme, herneemt De Man de klassieke thema’s zoals de strijd tegen de geldmachten en de noodzaak van een sterke Staat.”8

Ook het argument dat De Man slechts in de oorlog fascistische ideeën zou gehuldigd hebben is historisch volledig onjuist. Reeds op 21 juli 1930, toen de Italiaanse vertaling was verschenen van Au délà du marxisme (Het marxisme voorbij), schreef een enthousiaste Mussolini aan De Man: “Uw kritiek van het marxisme is veel inslaander dan die van de Duitse reformisten: hij heeft ook een definitief karakter, omdat hij geschreven is na de gebeurtenissen van , die alles wat er nog overschoot aan ‘wetenschappelijkheid’ in het marxisme hebben vernietigd.”9 Mussolini had meteen begrepen dat De Man de kern van het marxisme aanviel en zo ideologisch naderde tot het fascisme. In zijn antwoord aan Mussolini op 23 augustus 1930 schrijft De Man: “Ik verzoek u te geloven dat geen enkel vooroordeel mij ervan weerhoudt om dag na dag, vanuit een vurig verlangen om mij objectief te informeren, het doctrinaire en politieke werk te volgen waarvan u de bewerker bent. (...) Indien ik mijn geest voor geen enkele uiting van scheppingskracht afsluit, dan komt dat juist omdat ik er niet voor terug schrik recht te laten wedervaren aan bepaalde aspecten van het fascistische werk en omdat ik het verloop ervan met een gepassioneerde belangstelling volg.”10

Deze positieve waardering van De Man voor het fascisme ging in de loop van de jaren dertig nog crescendo. Dat beschrijft hij zelf in zijn Mémoires: “In 1939 brak ik resoluut met de liberale opvatting over de democratische Staat, om te eisen wat Spaak en ik hadden durven omschrijven als een ‘autoritaire democratie’. Ik kritiseerde de fascinatie van het Belgische socialisme door een antifascistische ideologie die enkel een uiting van conservatisme was. (...) Men had ongelijk de ‘fascistische’ bewegingen te beschouwen als pogingen tot restauratie of reactie, terwijl ze in werkelijkheid een revolutionaire rol speelden.”11

Zeev Sternhell heeft dan ook volkomen gelijk als hij stelt dat het Manifest van juni 1940 waarin De Man de nazi’s toejuicht “noch een breuk betekent, noch een ontsporing in de ideologische evolutie van een hele school van het Franstalige socialisme. Sinds jaren had Hendrik De Man een ideologie ontwikkeld die reeds op alle punten fascistisch is.”12

De Batselier en Coppieters zijn beiden bankroete ideologen die, om het hedendaagse barbaarse kapitalisme en imperialisme te verdedigen, teruggrijpen naar de ideeën van De Man. Naar een ideologie die, zoals Sternhell terecht opmerkt, reeds in alle punten fascistisch is”.

Noten

1 “Un Manifeste du POB” in La Gazette de Charleroi, 3 juli 1940, p.4.
2 Lowette Toon, Monologen met Norbert De Batselier, Kritak, Leuven, p.23.
3 Ibidem, p.31.
4 Ibidem, p.23.
5 Ibidem, p.24.
6 Ibidem, p.24.
7 Ibidem, p.26.
8 Sternhell Zeev, Ni droite, ni gauche,L’idéologie fasciste en France, Editionscomplexe, Parijs, 1987, p.182.
9 “Lettres d’Henri De Man” in Ecrits de Paris, n° 184, juli-augustus 1960, p.79.
10 Ibidem, p.81.
11 De Man Henri, Après Coup (Mémoires), Ed. de la Toison d’Or, Brussel, p.306.
12 Sternhell Zeev, Ni droite, ni gauche, p.52.

Het Sienjaal is het antwoord van Norbert De Batselier op de hoge nood waarin de Socialistische Partij (SP) verkeert. De ideoloog van de SP beseft dat de economische en politieke crisis het failliet van het sociaal-democratisch project van de SP steeds ongenadiger aan het licht zal brengen. De laatste vijf jaar voerden de “socialistische” ministers inderdaad een neoliberaal beleid (met privatiseringen en afbraak van de sociale zekerheid), zetten ze het Vlaams Blok-programma inzake vluchtelingen om in wetten, verzopen ze in schandalen (Agusta, Dassault), versterkten ze de rijkswacht en hebben ze voor de enorme werkloosheid alleen nog Amerikaanse oplossingen zoals laagbetaalde, flexibele jobs en afbraak van de sociale bijdragen. Voor zo’n beleid kan je de progressieven onmogelijk enthousiasmeren. Om de overleving van het bankroete sociaal-democratische project nog een tijdje te rekken diende het in een nieuw kleedje gestoken te worden.

Al in januari 1994, toen het Coppieters-project nog een goed bewaard geheim was, verklaarde hij: “Begin volgende eeuw bestaat de SP niet meer.”2 Drie maand voordien, in oktober 1993, had De Batselier samen met een ander kopstuk van de SP, Freddy Willockx, toenadering gezocht tot Maurits Coppieters, de grijze eminentie van de Volksunie. De Batselier stelde Coppieters voor “een radicaal democratische totaalvisie te formuleren als platform voor een open gedachtenwisseling met alle progressieven in Vlaanderen.”3 Daaruit zou, zo hoopte hij, mettertijd een nieuwe Vlaamse sociaal-ecologische partij kunnen groeien. Coppieters stemde in en ging samen met De Batselier aan de slag. Samen met een groep academici, waarbij vooral de Gentse professor moraalfilosofie Koen Raes4 een belangrijke rol speelde, werkten zij twee jaar lang aan hun tekst.

Men kan op het eindresultaat volgende vijf kritieken maken:

  1. Het Sienjaal aanvaardt en verdedigt het kapitalistische systeem en beweert dat het kan hervormd worden
  2. Het is een heruitgave van het ethisch socialisme van De Man
  3. Het Sienjaal is Vlaams-nationalistisch, confederalistisch en separatistisch.
  4. Het Sienjaal verdedigt de Europese Unie, dit wil zeggen het Europese imperialisme onder Duitse leiding.
    Dit “radicaal-democratisch project” voorziet geen democratie... voor de migranten.

Koen Raes: “Geen radicale verwerping van het kapitalisme”

De sleutelvraag voor een links alternatief is of het het kapitalistische systeem en zijn economische grondslagen (het privé-bezit van de grote productiemiddelen en de jacht naar maximale winst) aanvaardt dan wel verwerpt. Professor Koen Raes is wat dat betreft zeer openhartig: “Het Sienjaal is, laat dit duidelijk wezen, geen revolutionair alternatief. (...) Het gelooft niet dat slechts een radicale verwerping van het kapitalisme soelaas biedt.”5

Het kapitalisme veroorzaakt crisis en een neerwaartse spiraal van sociale afbraak niet alleen in Europa maar ook in Zuid-Korea en zelfs in Afrika. Het leidt wereldwijd tot een heropleving van fascisme en fascisering, reactionaire nationalistische burgeroorlogen, zoals in Joegoslavië en Tsjetsjenië, groeiende rivaliteit tussen de grootmachten en toenemend oorlogsgevaar. Maar toch aanvaardt Het Sienjaal de markteconomie die al deze ellende voortbrengt! En welke oplossing heeft het dan wel voor al die sociale en economische rampen die het bladzijden lang opsomt? Het tot op de draad versleten ordewoord van de sociaal-democratie: verovering van de economische democratie. Al tachtig jaar lang belooft de SP dat zij, dank zij het stemrecht en het parlement (“de politieke democratie”) ook stilaan de de controle over de economie zal verwerven. Het Sienjaal erkent zelf het bankroet van deze strategie: “Vandaag wordt de macht uitgeoefend door bedrijven, mediaconcerns en belangengroepen die naast en niet onder de overheid opereren. (...) Iedere “herwaardering van politieke instellingen die geen rekening houdt met de overheersende machtspositie van de bedrijven en concerns, dreigt alleen maar schijngestalten van de macht te rehabiliteren. De werkelijke uitdaging bestaat erin om ook die andere machtscentra te democratiseren, door hen tot verantwoordelijke actoren te transformeren en zo te voorkomen dat één of enkele van hen een al te dominante positie verwerven.” (p.45)

Zowel de aanvaarding van het kapitalisme als de strategie van de verovering van de zogezegde economische democratie stootten zelfs binnen de groep van ondertekenaars van Het Sienjaal op scepticisme en tegenstand. Dat onthulde mede-ondertekenaarster Annick Clauwaert, milieudeskundige van het ABVV, op een studiedag van Kristenen voor het Socialisme (KVS) over Het Sienjaal: “Er was in de groep vuurwerk tussen ‘de strekking Raes’ en ‘de strekking Maxim Stroobant’. De eerste stelt: de marktlogica heeft de minst slechte economische ordening voortgebracht, ze is een efficiënte logica om de economie draaiende te houden, maar men ze mag niet ongebreideld aan het werk laten. De tweede zegt: dat is lulkoek, dat lukt niet.”6

Gewezen SP-senator professor Maxim Stroobant van de VUB bevestigt deze tegenstellingen: “Het Sienjaal is zeker geen socialistisch manifest. We hebben kunnen vermijden dat men ‘de vrije markt’ zou aanvaarden. Nu aanvaardt de tekst alleen nog ‘het marktmechanisme’. In de voorbereidende groep zaten ook mensen die dicht bij de economische macht staan en zij hadden het telkens over haalbaarheid, vandaar de compromissen.7 Men wou absoluut realistisch zijn en dus beheren wat al bekomen is. Het Sienjaal bevat geen diepe klassenanalyse.”8

Ook de ACW’er Robert De Gendt, gewezen voorzitter van het Overlegcentrum voor de Vrede (OCV) en mede-ondertekenaar van Het Sienjaal, verbergt de meningsverschillen niet: “Er zijn spetterende discussies geweest over de stelling ‘Het kapitalisme maakt ons kapot’. Een deel van de groep had dat geschreven. En de evolutie in de wereld lijkt dat te bevestigen. Ik kom juist terug van Latijns-Amerika. Daar veroorzaakt die mooie markteconomie zo’n achteruitgang dat er een nieuw communisme kiemt, zelfs met orthodoxe trekken. In Het Sienjaal komt de veroordeling van het kapitalisme en zijn economische basis slechts in een verwaterde versie voor.”9

Deze tegenstellingen tussen de ondertekenaars tonen het onvermogen van de reformisten om nog een coherent alternatief uit te werken. Dat wordt ook vastgesteld door professor Rudolf Boehm die oorspronkelijk door Coppieters was aangezocht om aan het project mee te werken. In een kritiek op Het Sienjaal klaagt hij het gebrek aan samenhang aan: “In De Batseliers politieke uitgangspunten valt volgende uitspraak op: “De democratische krachten kunnen vandaag niet efficiënt optornen tegen de mondiale concurrentiesamenleving” (p.90) Als dat echter werkelijk niet zou kunnen welke zin heeft dan nog het gehele project? Dan weer gaat De Batselier voort alsvolgt: “We moeten de logica van deze opgedrongen consensus in vraag stellen en aan het bestaande economisch systeem actief voorwaarden opleggen, grenzen trekken” (ibidem). En dat kunnen de democratische krachten dan weer wel?”10

Van zijn kant kritiseert de linkse protestantse dominee uit Antwerpen, Egbert Roose, Het Sienjaal als volgt: “Het kapitalisme wordt in zijn wilde vormen bekritiseerd maar niet ten gronde. De pauselijke encyclieken Rerum Novarum en Quadragesimo Anno doen dat ook: laat de winstzucht en de concurrentie maar bestaan, maar laat het niet te erg worden.”11

In de leer bij Riccardo Petrella

Het Sienjaal doet een beroep op de in de mode zijnde analyses van Riccardo Petrella. Deze professor van de UCL heeft de oorlog verklaard aan de cultus van de competitiviteit.12 Zijn kritiek op de rampzalige gevolgen van de moordende internationale concurrentiestrijd blijft echter reformistisch en is antirevolutionair. Petrella valt niet het privé-bezit van productiemiddelen aan noch de daarmee verbonden concurrentie aan - hij vindt die concurrentie integendeel een positief economisch mechanisme. Hij heeft het enkel tegen de cultus, de vergoddelijking, van de competitiviteit.13 En ook zijn “oplossing” is door en door reformistisch: hij doet een beroep op de rede van de verlichte wereldelites, de zogenaamde “civiele maatschappij” van redelijke managers, academici, leiders van internationale instellingen, product van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en vakbonden en politici. Petrella droomt ervan dat zij tot verstandhouding kunnen komen en “contracten” zullen willen afsluiten over de verwezenlijking van een aantal elementaire sociale en ecologische doelstellingen zoals toegang tot drinkbaar water, een dak boven het hoofd en basisgezondheidszorgen voor iedereen. Dit is een nieuwe versie van de theorie van het “ultra-imperialisme” die de Duitse sociaal-democraat Karl Kautsky in het begin van deze eeuw ontwikkelde. Deze tegenstander van Lenin droomde er van dat de imperialisten hun tegenstellingen uit goedbegrepen eigenbelang zouden weten te overstijgen.14

Petrella wil dus niet het kapitalisme zelf aanpakken maar enkel de uitwassen ervan, zoals de “overdreven” concurrentie. Maar om de rampen die de wereld teisteren op te lossen moet men de wortel van het kwaad uitroeien. Men moet het kapitalisme omverwerpen en het socialisme vestigen dat op de grondslag van het collectief bezit der productiemiddelen een planeconomie organiseert in functie van de behoeften. Petrella bekampt evenwel de weg om daartoe te komen: de socialistische revolutie.

Geen wonder dus dat de sociaal-democratie, zeer happig is op de “nieuwe” stellingen van Petrella. Het Sienjaal inspireert zich volledig op hem om een ecologisch, een sociaal, een cultureel en een mondiaal “contract” uit te werken. Het Sienjaal herschept daarmee de illusie van “de economische democratie” op internationaal vlak. Wat op nationaal vlak jammerlijk mislukt is zou men op internationaal niveau wel waar kunnen maken, dankzij contracten met “redelijke” kapitalisten. Het volstaat te zien hoeveel reactionairder en agressiever het grootkapitaal is geworden om te beseffen dat deze reformistische leugen vandaag nog groter is dan 80 jaar geleden.

Een groteske toepassing van het petrellisme

Het Sienjaal levert ons op de koop toe een groteske toepassing van Petrella’s ideeën. En dat is dan te wijten aan de uitgesproken Vlaams-nationalistische onderstroom van het project. Petrella mikt, zoals gezegd, op internationale contracten om de macht van de concerns aan banden te leggen. Maar Het Sienjaal bevat ook een “Vlaams contract”. En daarin wordt voorgespiegeld dat men de multinationals in de pas zal kunnen dwingen dankzij... de regionalisering. Wat de Belgische kapitalistische staat nooit wilde zou de Vlaamse wel doen?! Dat beweert althans Het Sienjaal: “Moet Vlaanderen de aangezwengelde concurrentiestrijd tussen staten, ondernemingen en zelfs vakverenigingen gewoon als een gegeven aanvaarden? Of moet het niet precies de logica van die concurrentie, die kennelijk geen enkel ander doel heeft dan zichzelf in stand te houden, doorprikken? Heeft Vlaanderen niet als opdracht om het statenloze kapitaal dat vandaag in wezen bevolkingen tegen elkaar opzet op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheden te wijzen en het om het te dwingen zijn bijdrage te leveren tot (onze, en ook andere) systemen van maatschappelijke solidariteit waar dat bedrijfsleven overigens (ondermeer door een gedemocratiseerd onderwijssysteem, door de ziekteverzekering, door werkloosheidsuitkeringen) wel degelijk ruimschoots rechtstreeks en onrechtstreeks baat bij vindt. (...) Dat heeft niets te maken met een “Vlaamse verankering” van het kapitaal, maar alles met een Vlaamse verankering van de solidariteit die van dat kapitaal kan worden gevergd.” (p.77-78)

Net zoals bij de Vlaamse minister-president Luc Van den Brande dient dit discours over Vlaamse verankering van de bedrijven alleen om de inschakeling van de Vlaamse grote burgerij in het internationale grootkapitaal te bevorderen. Een voorbeeld daarvan is het wedervaren met het bedrijf Plant Genetic Systems. In naam van de Vlaamse verankering pompte de overheid er miljarden in, waarna het werd opgekocht door de Duitse chemiereus Merck. En de tijdelijke reddingsoperatie Boelwerf-Vlaanderen (dat label “Vlaanderen” moest er van Van den Brande hoognodig aan toegevoegd worden!) heeft vooral de groep van de Nederlandse oplichter Begemann rijker gemaakt.

Het Sienjaal lijdt nog aan een andere contradictie: het neemt de verdediging op van de Europese Unie, die... precies een centraal wapen is in de concurrentieoorlog: “De Europese Unie is een beslissende factor. Ze lijkt ons het eerst aangewezen instrument om de politieke schaalvergroting door te voeren. (...) Op termijn moet de Europese Unie uitgroeien tot een supranationaal geheel, dat in staat is de economie en het geldverkeer aan sociale, ecologische en herverdelingsregels te onderwerpen, dat extern in staat is om op wereldvlak vrede en veiligheid te helpen waarborgen en intern moet bijdragen tot de verwezenlijking van een sociaal Europa. Dit komt er niet zomaar, maar moet de inzet zijn van politieke strijd: Europa als strijdperk, niet als schietschijf.” (p.152-153). Het Sienjaal oefent, net zoals Petrella, kritiek uit op de concurrentielogica maar omdat ze niet breken met het kapitalisme aanvaarden ze die uiteindelijk toch. Dat verklaart ook waarom Het Sienjaal, als het op praktische politieke voorstellen aankomt, geen andere heeft dan die van de huidige regering: vermindering van de patronale sociale bijdragen, klusjesdiensten met een beter statuut, arbeidsduurvermindering met loonverlies enz. De economen Dancet en Willekens hebben het bij het rechte eind als ze schrijven: “Eerlijk gezegd durven wij geen enkel voorstel (in Het Sienjaal) aanwijzen waarvan we zeker zijn dat het niet in het huidige Vlaamse of federale regeringsprogramma van CVP-SP staat.”15

Een heruitgave van het ethisch socialisme van Hendrik De Man

Het Sienjaal grijpt op een bewuste en systematische wijze terug naar het ethisch socialisme van Hendrik De Man. Deze voormalige ideoloog en voorzitter van de Belgische Werkliedenpartij (BWP, de voorloper van de SP) ontwikkelde dit waardensocialisme in de jaren ‘20 en ‘30. Van De Batselier is bekend dat hij een bewonderaar is van De Man. (Zie kaderstuk.) Dat De Man geëindigd is als collaborateur van de nazi’s lijkt hem daarbij niet te hinderen. Ook Coppieters, die vanuit zijn Volksunie-verleden nog meer ervaring heeft met het vergoelijken van de collaboratie, hemelt De Man op als een “vernieuwer” van het socialistische gedachtengoed: “In de eerste fase van de proletarische bevrijdingsstrijd scheen het zogeheten ‘wetenschappelijk’ marxisme te volstaan. Had het niet zelf de (soms extatische) status van een geloof verworven? Een duizelingwekkend geloof, een alles overwinnende hoop! Aan ethisch-religieuze motivering was er geen behoefte. Hierin kwam verandering in een tweede fase, wanneer socialistische regeringsdeelname en ‘reformisme’ twijfels en angsten gingen voeden. Deze nood aan nieuwe bronnen en nieuwe begeestering werd ondermeer door Hendrik De Man aangetoond.”16

Maurits Coppieters is een analfabeet wat het marxisme betreft. Reeds in Het Communistisch Manifest steekt Marx de draak met allerlei reactionaire, feodale theorieën die als “socialisme” werden verkocht. Welnu, De Mans ethisch socialisme is zo’n feodaal en klerikaal “socialisme”. De Man heeft het socialisme van Marx helemaal niet aangevuld en verrijkt maar er radicaal mee gebroken. Dat deed hij in zijn in 1926 verschenen werk De psychologie van het socialisme.17 Dit boek had eenvoudigweg als doel: “het marxisme te vernietigen”.18 Om zijn “verzet tegen de fundamentele principes van de marxistische doctrine” duidelijk te maken verkoos de Man voor zijn boek overigens “de formule au delà du marxisme (het marxisme voorbij) boven alle lauwere uitdrukkingen zoals herziening, aanpassing, herinterpretatie enz., die de kool en de geit willen sparen.”19 In het besluit van het boek verklaart hij ondubbelzinnig: “Ik ben niet langer marxist”20. En in zijn Memoires preciseert hij: “Ik besloot mijn boek Au delà du Marxisme met de opmerking dat het socialisme zich moet bevrijden van het marxisme. (...) Zoals men zich ontdoet van een geheel van formules die ooit levend en levendmakend waren maar die al lang voorbijgestreefd zijn. (...) De wezenlijke reden van mijn keuze was dat ik niet meer een of andere dode tak maar de wortels zelf van het marxisme aanviel, ‘t is te zeggen: het economisch determinisme en de wetenschappelijke rationaliteit.”21

Radicaal tegen het wetenschappelijk socialisme van Marx

De Man keerde zich inderdaad tegen de kern van het wetenschappelijke socialisme zoals dat was uitgewerkt door Marx en Engels. Hij verwierp hun historisch materialisme dat aantoonde dat de geschiedenis van de mensheid gebaseerd is op de ontwikkeling van de productiekrachten en de klassenstrijd. Aan de stand van de productiewijze beantwoordt een indeling in klassen: meesters en slaven in de slavenhoudersmaatschappij, grondbezitters en lijfeigenen in de feodaliteit, burgerij en arbeiders in het kapitalisme. In elke periode van de geschiedenis was er strijd tussen de klassen en die strijd was de motor van de vooruitgang.

Toen de feodale verhoudingen de ontwikkeling van de nieuwe productiekrachten (het gebruik van de machines in manufacturen) hinderde wierp de nieuwe opkomende klasse die deze productiemiddelen bezat - de burgerij - de heersende grondadel en clerus omver in de burgerlijke revolutie. In het begin verwezenlijkte de burgerij een nooit geziene historische vooruitgang van de productie. Maar al snel werden de kapitalistische productieverhoudingen een rem op de verdere vooruitgang. Het privé-bezit van de productiemiddelen en de jacht naar winst, gebaseerd op de maximale uitbuiting van de arbeidskracht der arbeiders en op genadeloze concurrentie tussen de bedrijven, leidden tot crisissen van overproductie. Die kunnen binnen het kapitalisme slechts “opgelost” worden met oorlogen, verarming van de werkers en fascistische onderdrukking. Daartegen komen de werkers onvermijdelijk in opstand.

Marx legde deze wetmatige ontwikkelingen van het kapitalisme op een wetenschappelijke wijze bloot. Hij toonde aan dat er binnen het kapitalisme een onoplosbare tegenstelling bestaat tussen enerzijds het privé-bezit van de productiemiddelen en de privé-toeëigening van de producten door de kapitalisten en anderzijds het sociaal karakter van de productie die door tienduizenden arbeiders en technici wordt gerealiseerd. Uit deze tegenstelling volgt dat de proletarische revolutie die de grote productiemiddelen tot collectief bezit maakt een historische noodzaak is geworden. Alleen zo zal men in een socialistische planeconomie de productie harmonisch en maximaal kunnen ontwikkelen in dienst van de werkers. De taak van de socialisten bestaat er bijgevolg in de klassenstrijd te ontwikkelen tot de socialistische revolutie.

Hendrik De Man verwierp deze wetenschappelijke theorie als zogenaamd “economisch determinisme (voorbeschiktheid)”.22 Volgens hem komt het socialisme niet voort uit de onoplosbare tegenstellingen in de kapitalistische economie en uit de klassenstrijd maar uit “algemeen menselijke drijfveren zoals de zin voor rechtvaardigheid” en “uit morele eisen”.23 Uit een morele revolutie dus, zoals ook de reactionairen die prediken. De Man definieert het socialisme als een “een volgens het tijdperk verschillende uiting van een eeuwig verlangen (aspiratie) naar een sociale ordening die in overeenstemming is met ons moreel besef”.24

Het kapitalisme bekampen met... zedenpreken

Het Sienjaal is volledig doordrongen van ditzelfde ethisch socialisme. Op identieke wijze als De Man beweert het: “Het is gewoon een kwestie van ethiek, van de morele ingesteldheid, bij het ‘sturen’ en ‘besturen’ van wat aan de gemeenschap toebehoort. De verbondenheid van alle mensen - het samen-ik-zijn - is de basisgedachte waaruit concrete daadwerkelijke solidariteit voortvloeit.” (p.19). “Wij geloven dat alleen deze morele instelling in staat is om op lange termijn de leefbaarheid van de wereld, én van Vlaanderen als onderdeeltje, te waarborgen.” (p.160) “Welk maatschappijmodel stellen we tegenover datgene dat in de analyse in al zijn nefaste gevolgen wordt omschreven? Een antwoord geven op deze vraag kan slechts wanneer wij vertrekken vanuit een waardenkeuze. Het is een dwingende opgave de (vanzelfsprekende) eenheid van ethiek en politiek te herstellen.” (p.84) En met de uitspraak “dat het in de politiek om immateriële waarden gaat”25 onderstreept Coppieters nog eens extra zijn antimaterialistische opstelling.

Precies deze uitgangspunten vormden voor Rudolf Boehm een reden om niet langer mee te werken aan het Coppieters- of C-project: “Heel vlug ging het ‘allemaal’ een al te veel moraliserende toer op.”26 Eric Rosseel, een docent arbeidssociologie van de Vrije Universiteit Brussel die een boek schreef over Ethisch socialisme in Vlaanderen, heeft het van zijn kant over “een quasi complete herhaling van De Mans uitgangspunten”.27 “En eerlijk gezegd, zo zucht hij, verder dan pagina 120 ben ik in Het Sienjaal niet geraakt. Dan lees ik nog liever Hendrik De Man in originele vorm.”28

De materiële basis waarop het wetenschappelijke socialisme steunt is de ontwikkeling van de de productiekrachten en de organisatie van de klassenstrijd. Wie, zoals De Batselier-Coppieters, De Man en Petrella, die materiële basis wegveegt en ze vervangt door “geestelijke motieven” komt terecht in een burgerlijk of feodaal socialisme. Die démarche is destijds al beschreven door Friedrich Engels: “De burgerlijke socialist leidt ons van de economie naar de moraal. En niets is natuurlijker. Wie de kapitalistische productiewijze, de ‘ijzeren wetten’ van de huidige burgerlijke maatschappij, voor onaantastbaar verklaart en toch haar onplezierige maar noodzakelijke gevolgen wil afschaffen, kan niets anders doen dan moraliserende preken tot de de kapitalisten houden. Preken waarvan de ontroerende uitwerking onder invloed van het particulier belang, en zo nodig van de concurrentie, als sneeuw voor de zon verdwijnt. (…) ‘Er is geen plaats voor sentiment als het over geld gaat’, zei de oude bankier Hansemann al, en die wist er wat van.”29

De Man, De Batselier, Coppieters en Petrella beweren dat het mogelijk is de kapitalisten met zedenpreken te overtuigen van de “vanzelfsprekende” waarden zoals sociale rechtvaardigheid. De slechte kapitalisten althans, want in hun ogen zijn er ook goede: de dynamische industriële kapitalisten voor De Man (die enkel het “parasitaire financierskapitaal” aanviel) en de verantwoordelijke “volksverbonden” bedrijfsleider voor Coppieters en De Batselier. Maar in werkelijkheid verplichten de economische wetten van het kapitalisme alle kapitalisten om maximale winst na te streven. Daarom moeten zij, wat ook hun persoonlijke morele principes zijn, de uitbuitingsgraad opdrijven en dus de sociale rechtvaardigheid en andere waarden met de voeten treden. Zo niet worden zij door de genadeloze concurrentie uitgeschakeld en verliezen ze hun bezit.

Het “religieus socialisme” van Coppieters

Maar Coppieters en De Batselier bestrijden deze wetenschappelijke marxistische inzichten over het moderne kapitalisme. Vooral Coppieters keert liever terug naar het religieus socialisme. Hij beklemtoont dat hij zijn inspiratie put uit deze historische beweging van “christelijke socialisten” die al bestaat sinds 1850 en die vooral in Duitsland en in Nederland invloed had vanaf het einde van de vorige eeuw tot in de jaren dertig: “Toen al in 1994, bij het bekend maken van de krachtlijnen van een radicaal-democratisch project, het woord religieus socialisme over mijn lippen vloeide, was dit geen vrijblijvende verwijzing naar een historisch verschijnsel.”30 Ook Hendrik De Man, die zelf in het vroege christendom voorbodes zag van het moderne socialisme, had in zijn tijd volop contact met deze beweging.31

In strijd met Marx, voor wie het socialisme een noodzaak is die wetenschappelijk volgt uit de tegenstellingen van het moderne kapitalisme, deelde hij met hen de opvatting dat het socialisme niets anders is dan een “eeuwenoud” verlangen: “Volgens De Man kan het socialisme alleen het resultaat zijn van morele beslissingen waarvan de grondslag voorafgaat aan elke historische ervaring.”32 Coppieters herinnert daaraan: “Bewogen denkers en activisten van het religieus socialisme meenden de grondideeën van hun streven te ontwaren in een ver verleden: Plato en ‘ketterse’ bewegingen in de Middeleeuwen als de Katharen en de Albigenzen, (...) en later, de Wederdopers.”33 En opnieuw is het vooral de nadruk op de morele normen als drijfveer van het politieke handelen, die Coppieters aantrekken: “Het religieus socialisme is veeleer een gemeenschapsethiek, een bewustzijn en een verantwoordelijk aanvaarden van sociale verplichtingen, gefundeerd met een beroep op, ofwel christelijke motieven, of op een religieuze zingeving van de historische ontwikkeling. Deze dimensie is, wat mij betreft, in Het Sienjaal (h)erkenbaar.”34

“Ethische” bewogenheid en godsdienstige inspiratie nemen de plaats in van wetenschappelijk inzicht (in de economie en de geschiedenis) en van de klassenstrijd. Dat was ook de grond van het denken van Dr. Willem Banning, een vertegenwoordiger van het religieus socialisme in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de voorloper van Nederlandse Partij van de Arbeid, naar wie Coppieters graag verwijst.35 Op het congres van de SDAP in 1937 verdedigde hij, onder de religieus-socialistische vlag, de ideologische en politieke capitulatie tegenover Hitler. De SDAP-leden die samen met de communisten een antifascistisch front wilden vormen “duidde hij honend aan als lui ‘die in elk geval tegen de Hitlerbenden willen vechten’.”36 Op deze ideologische capitulatie zou in 1940 de praktische capitulatie volgen: toen de nazibezetter op 19 juli de partij ontbond, onderwierp de SDAP-leiding zich hieraan.

Een andere Nederlandse sociaal-democraat die Coppieters graag citeert is Koos Vorrink. Vorrink was eind van de jaren ’30 hoofdredacteur van het weekblad ‘Vrijheid, Arbeid, Brood’, “dat zich te buiten ging aan een, aan het delirium grenzende, ophitsing tegen de CPN en de Sovjet-Unie.”37 Na de oorlog zouden Banning en Vorrink de vaders worden van de Partij van de Arbeid, een der ijverigste promotoren van de NAVO, atoomwapens incluis. Coppieters haalt in Het Sienjaal de afscheidsrede aan van Vorrink als voorzitter van de Arbeiders-Jeugdcentrale. Het is een staaltje hoog zwevend religieus en ethisch socialisme: “Socialisme dat is de dorst naar gerechtigheid, dat is nooit aflatende opstandigheid tegen onrecht. (...) Socialisme, dat is solidariteit, vanuit een zuiver onwrikbaar gevoel van almenselijke verbondenheid. (...) en uiteindelijk: socialisme is ook liefde voor het leven, liefde tot al het levende, het opgenomen zijn in het machtige ritme van op- en ondergaan, van worden en vergaan, dat Hemel en Aarde doorstroomt.” (p.24-25)

Het is dit soort socialisme dat door Karl Marx al in 1848 werd omschreven als “feodaal socialisme”.

Het ethisch socialisme, de gevaarlijke weg naar fascisme, corporatisme en nationalisme

Waarom hechten we zoveel belang aan de kritiek op het ethisch-socialistisch karakter van Het Sienjaal? Er zijn drie voorname redenen.

Vooreerst is er een aanwijsbare band tussen de antimarxistische en antimaterialistische ideeën van het ethisch socialisme en de evolutie van De Man naar een openlijk fascistische ideologie. Een gelijkaardige ideologische démarche heeft heel wat andere “gerevolteerde” ex-sociaal-democraten in het buitenland naar het fascisme doen overgaan. Denken we maar aan Benito Mussolini in Italië, de gewezen Labour-minister van Arbeid, Oswald Mosley, in Groot-Brittannië en Marcel Déat in Frankrijk.

Ten tweede vormt de verwerping van het wetenschappelijke socialisme en de klassenstrijd de kern van het ethisch socialisme. Het verklaart ook de voornaamste andere kenmerken van deze politieke stroming, zoals het corporatisme, het nationalisme en de pleidooien voor een sterke (kapitalistische) staat. Het is niet toevallig dat we ze zowel bij De Man als in Het Sienjaal en bij Petrella terugvinden.

Vermits hij de klassenstrijd en de revolutionaire rol van de arbeidersklasse verwierp zag De Man als drijvende maatschappelijke kracht het geheel van “producenten” met inbegrip van de managers en dynamische kapitalisten (behalve het parasitaire bankierskapitaal). Al die “levende krachten” moesten samenwerken voor “een socialisme voor de hele natie”. In het begin van de oorlog verving De Man dan ook, naar het voorbeeld van de fascisten, het Belgisch Vakverbond (BVV) door de op corporatistische leest geschoeide “Unie van Hand en Geestesarbeiders”. De “contracten” met de verlichte managers van multinationals die Petrella en Het Sienjaal voorstellen zijn ook een variante van het corporatisme.

Het prominent naar voor schuiven van het nationalisme vormde bij De Man een belangrijke stap in zijn breuk met het marxisme. Al in 1920 stelde hij dat “zelfs de meest miserabele handlanger in zijn dagelijks bestaan door minstens evenveel solidaire banden gebonden is aan de nationale gemeenschap als aan de klasse waarvan hij deel uit maakt”38 Een sterke echo daarvan vinden we bij De Batselier en Coppieters die de natie boven de klasse stellen en in Het Sienjaal beweren: “De verschillen tussen beschavingen zijn sterker dan die tussen ideologieën en politieke regimes.” (p.22).

De ethische socialisten verwerpen de marxistische stellingen over de burgerlijke staat als instrument van de dictatuur van het grootkapitaal. Zij beweren dat de kapitalistische staat een scheidsrechter zou zijn boven de klassen. Hij is hun ogen het instrument bij uitstek om orde te scheppen in de chaos en roepen om zijn versterking. Het Sienjaal mystificeert de na-oorlogse “welvaartsstaat”: “Politiek was de rol van de staat in het vooruithelpen van het algemeen belang onbetwist, hoe sterk de opvattingen over dit algemeen belang ook mochten uiteenlopen. De natiestaat vormde een voldoende herkenbaar referentiepunt opdat de overheid zich met gezag als vertolker van het algemeen belang kon opwerpen en via grootschalige collectieve werken en gemeenschapsvoorzieningen daaraan gestalte kon geven.” (p.36)

Bij Petrella krijgt de strijd voor het herstel - op internationaal vlak - van deze staat een groot gewicht. Maar bij De Batselier ligt dat wel even anders. Als medeplichtige aan een neoliberaal beleid van privatisering van bijna alle overheidsbedrijven beroept hij zich veeleer op oud-BWP-voorzitter Emiel Vandervelde die al in 1920 waarschuwde voor overdreven etatisering. Of op Koen Raes “die in zijn Socialisme en post-moderniteit 39 zegt dat verstaatsing op zich geen garantie vormt voor een efficiënter en sociaal meer verantwoord beleid.”40

De link naar Vandenbroucke, Elchardus en Tobback

Het ethisch socialisme vormt ook het fundamentele bindteken tussen alle ideologen van de SP.

Frank Vandenbroucke liet zich opmerken met een aanval op de analyses van Petrella. Daarin verklaart hij het niet eens te zijn met de demonisering van de concurrentie en de internationalisering van de economie. Volgens hem overdrijft het Rapport van de Groep van Lissabon de gevolgen daarvan fel.41 Maar tegelijk benadrukt ook hij “de noodzakelijke ‘moralisering’ van het programma van de sociaal-democratie, dit wil zeggen de fundering ervan in een rechtvaardigheidsleer”.42 In een tweede artikel stelt hij dat het ethisch uitgangspunt van Het Sienjaal een sterk punt is: “Het Sienjaal pleit ondubbelzinnig voor de moralisering van ons politieke programma waarbij ‘het algemeen belang’ belangrijker is dan deel- of groepsbelangen. De basiswaarden zijn de vrijheid en gelijkwaardigheid van alle mensen, en de verbondenheid in het ‘samen-ik-zijn’, een mooie uitdrukking die Norbert De Batselier ook liet noteren in de SP-congresteksten van december 1993.”43 Zo worden de holle woorden over ethiek en solidariteit uit Het Sienjaal geprezen door de politicus, wiens partij als geen ander de groepsbelangen van de kapitaalbezitters ter harte nam sinds ze opnieuw tot de regering toetrad.44 En die het ethisch socialisme concreet gestalte gaf in de mede-organisatie van de barbaarse oorlog tegen Irak.

Vandenbroucke bekritiseert Het Sienjaal omdat hij het heil ziet in het nog méér liberale socialisme van de Britse professor John Rawls, auteur van The theory of Justice. Die theorie, die Vandenbroucke is gaan bestuderen in Oxford, wil de vrijemarkteconomie combineren met solidariteit en rechtvaardigheid. “De toetssteen daarbij is de verbetering van het lot van de minstbedeelden, de armsten binnen de groep van loonafhankelijken (werklozen, laaggeschoolden, zieken, bejaarden, minderheidsgroepen, enz.) via een beleid van inkomensherverdeling en toewijzing van de ondernemingswinsten.” Maar, “vermits de regeringen alleen vat hebben op de inkomsten uit loonarbeid beperkt de inkomensherverdeling zich veelal tot (pogingen tot) transfers van hogere lonen naar lagere lonen of vervangingsinkomens, niet van vermogens en winsten naar deze lagere inkomens.”45

Vandenbroucke verstopt helemaal niet dat dit een liberale denkrichting is. Dit voormalig lid van het politiek bureau van de trotskistische SAP (Socialistische Arbeiderspartij) beroept zich expliciet op de 19de-eeuwse econoom en grondlegger van het liberalisme, Adam Smith.46 “Smith, zo preciseert hij, wilde in de samenleving niet alleen concurrentie zien maar ook ‘sympathie’, dit wil zeggen ‘inleving in elkaars positie’.”47 En verder: “Het economisch leven is slechts mogelijk als het eigenbelang wordt getemperd door sympathie, sensibiliteit en zelfbeheersing. (...) Vandaar een eerste belangrijk inzicht van Smith in de problematiek van economie en ethiek: de economische subjecten moeten reeds in zekere mate gemoraliseerd zijn om de marktmaatschappij mogelijk te maken.”48 Professor Boehm had al opgemerkt dat de nieuwe breuklijn die Het Sienjaal vooropstelt - voor een individualistische of voor een solidaire samenleving -“volstrekt onvoldoende is” vermits “de liberalen van hun kant ook kunnen beweren de enig ware solidariteit te belijden.”49 En ze doen dat dus ook al sinds de tijd van Adam Smith.

Die fameuze nieuwe breuklijn is dan weer de dada van Mark Elchardus. En zo komen we terecht bij Louis Tobback. Mark Elchardus, professor sociologie van de VUB en sinds kort ook voorzitter van de Socialistische Mutualiteiten, is namelijk de huisfilosoof van de SP-voorzitter. Elchardus wordt aangezien als de inspirator van de nieuwflinkse lijn van Tobback. Deze bestaat erin stemmen terug te winnen van het Vlaams Blok door het overnemen van de agenda van deze fascistische partij inzake vluchtelingen, migranten, veiligheidsbeleid... Ook volgens Elchardus, “is de nieuwe maatschappelijke breuklijn die tussen solidariteit en egoïsme, tussen immateriële of postmateriële waarden (gemeenschapszin, milieubehoud) en neoliberaal materialisme. Een omschrijving waarin we dezelfde nadruk op “waarden” aantreffen als in het ethisch socialisme van Hendrik De Man, Coppieters en De Batselier. Zij die speculeren over een “tegenstelling” tussen de lijn De Batselier en de lijn Tobback-Elchardus miskennen deze fundamentele politieke overeenstemming.

Dat verklaart ook waarom Tobback de ideologische vernieuwing van de SP in volle vertrouwen heeft opgedragen aan De Batselier. En dat anderzijds De Batselier zijn toespraak over het Coppieters-project, op het SP-congres van 10 december 1995, aanvatte met het instemmend citeren van een passage uit Zwart op Wit.50 Uitgerekend het boek waarin Tobback een extreem-rechts, racistisch en autoritaristisch gedachtengoed ontvouwt.

Aan deze beschouwingen over de verschillende verschijningsvormen van het ethisch socialisme dienen we nog een opmerking toe te voegen. Ethische bewogenheid, verontwaardiging over onrecht bij ons en in de derde wereld, kan uiteraard het vertrekpunt zijn van een sociaal en politiek engagement. Maar het zal maar echt efficiënt worden - met andere woorden antikapitalistisch en anti-imperialistisch - indien men dit engagement gaat stoelen op het wetenschappelijke socialisme van Marx, Engels en Lenin. Zoniet leidt de “bewogenheid” naar het valse, “ethische”, socialisme van De Man, De Batselier, Vandenbroucke of Elchardus dat het barbaarse en misdadige kapitalisme juist in stand houdt.

Reactionair Vlaams nationalisme en geen politieke rechten voor migranten

Tot slot staan we even stil bij twee andere kritieken op Het Sienjaal.

Vooreerst is er het extreme Vlaams-nationalisme. Alleen al omwille van dit punt hebben diegenen gelijk die zeggen dat een partij van SP, Agalev en Volksunie op basis van Het Sienjaal zo mogelijk nog rechtser zal zijn dan de huidige SP. De Batselier is inderdaad binnen de SP de promotor van het nationalisme. Toen minister Luc Van den Brande (CVP) in 1991 ophef verwekte met zijn confederalistisch credo - “De verdwijning van het Belgische niveau, tussen Vlaanderen en Europa, is de logica zelf” - nam De Batselier meteen zijn verdediging op. Geen wonder dus dat Coppieters de vrije hand gekregen heeft om het traditionele rechtse nationalisme van de Volksunie in Het Sienjaal te ventileren.

Het Sienjaal herstelt de reactionaire Vlaamse beweging van tijdens en na de Eerste Wereldoorlog in eer als een “sociale” beweging. Daar waar het een strijd was van de opkomende Vlaamse burgerij om zich, onder voogdij van het Duitse imperialisme, een volwaardige plaats te veroveren in de uitbuitersklasse.51 Deze reactionaire inhoud van de Vlaamse beweging kwam ook aan het licht toen de meeste aanhangers ervan zich in de jaren ’30 gingen aansluiten bij de Nieuwe Orde-bewegingen en later in de collaboratie stapten. In dat opzicht geeft het koude rillingen als Coppieters voor de oplossing van “het nog steeds bestaande spanningsveld internationalisme/nationalisme” refereert naar volgende uitspraak van Joris Van Severen, een nazi die wordt opgevoerd als “progressieve (!) flamingant”: “Alle volkeren moeten zich verenigen in een algemene volkerengemeenschap, waar menseneenheid in volkerenverscheidenheid tot hoogste harmonie wordt opgevoerd.”52 Van Severen is de stichter van het fascistische Verbond van Dietse Nationaal-Socialisten (Verdinaso)...

Het Sienjaal bevat eigenlijk maar één consistent hoofdstuk: dat over de communautaire kwesties, het zogenaamde “Vlaams contract” (p.143-156). Daarin heet het dat de recente staatshervoming ons land “een bij uitstek democratische federale structuur” zou hebben opgeleverd. (p.21) Maar net als de Volksunie, Luc Van den Brande en het Vlaams Blok wil Het Sienjaal nog verder gaan met de nationalistische waanzin die bij ons regionalisering heet. Het wil “de aanvullende inkomens - kinderbijslagen en gezondheidszorg - communautariseren”. (p.150)

Begin juli nam Norbert De Batselier dit programmapunt op in een nota voor het SP-bureau met het oog op de nieuwe onderhandelingsronde over de staatshervorming in 1998. Daarin verdedigde hij eveneens het toekennen van fiscale autonomie aan de twee deelstaten. SP-voorzitter Tobback betuigde zijn instemming met die nota wat hem prompt felicitaties opleverde van... het Vlaams Blok. De zaak leidde tot een fikse rel met Freddy Willockx. Hij verzette zich tegen de nota De Batselier omdat zij, ondermeer door het gebruik van de term “deelstaten”, opteert voor het confederalisme wat leidt tot separatisme. Willockx protesteerde ook tegen de voorgestelde gedeeltelijke splitsing van de sociale zekerheid omdat die onvermijdelijk uitloopt op de volledige splitsing en het einde van België. Toen men hem repliceerde dat die optie toch ook in Het Sienjaal steekt waarvan hij een van de geestelijke vaders is, ontkende Willockx dit. Coppieters herinnerde eraan dat dit punt er wel degelijk in staat.

Het Sienjaal herneemt verder het fascistische discours over de Vlaamse identiteit: “Men kan de identiteitszoektocht niet negeren of banaliseren. Men kan niet multicultureel denken indien men de waarde en de betekenis van de eigen cultuur voortdurend ontkent.” (p.80) De woorden kunnen zo uit de mond van Bert Anciaux van de Volksunie en zelfs van Gerolf Annemans van het Vlaams Blok komen. Niet voor niets begint het Vlaamse hoofdstuk van Het Sienjaal met een citaat aangehaald door prof. Eric Defoort: “Het stomste wat progressieve intellectuelen kunnen doen, is het nationalisme taboe verklaren.” (p.143)53 Laten we duidelijk zijn: wie zich “Vlaams nationalist” noemt, heeft niets gemeen met progressiviteit, laat staan met socialisme. Het “Vlaams nationalisme” is de ideologie van de samenwerking tussen de “Vlaamse” arbeider en werker en de “Vlaamse” kapitalist, die vaak van Duitse, Amerikaanse en Franse multinationals afhangt.

Wat, in tegenstelling tot het nationalisme, wel taboe is in Het Sienjaal, is de eis voor volledige politieke en sociale rechten voor migranten. Zelfs het minimum van het minimum, het gemeentelijk stemrecht, wordt niet eens geëist. Het “moet (alleen) bespreekbaar worden” (p.110)!

Een Sienjaal voor een nieuwe ruk naar rechts

Het Sienjaal aanvaardt het kapitalisme ten gronde, is doordrongen van het ethische socialisme, dat naar extreem-rechts leidt, en is sterk nationalistisch. Deze tekst verdient alleen een radicale kritiek en een categorieke afwijzing. Men kan de multinationals niet temmen met zedenpreken en reactionair Vlaams nationalisme!

Het “radicaal-democratisch project van De Batselier-Coppieters” biedt alleen het perspectief van een nog rechtsere sociaal-democratie die nog sterker de fascisering van de kapitalistische staat zal doorvoeren.

Noten

1 Coppieters Maurits en De Batselier Norbert, Het Sienjaal. Radicaal-democratisch project, Antwerpen, Icarus - Standaard Uitgeverij, 1996, 214 pagina’s. De titel, in ultraprogressieve spelling, is ontleend aan een gedicht uit 1919 van de experimentele Vlaamse dichter Paul Van Ostaijen.
2 Humo, januari 1994.
3 Het Sienjaal, p.8.
4 Koen Raes is sinds 1994 hoofdredacteur van het tijdschrift Samenleving en Politiek. Het is de meer open opvolger van het vroegere theoretische tijdschrift van de SP, Socialistische Standpunten, dat onder leiding stond van Norbert De Batselier.
5 Samenleving en Politiek, 1996, nr. 6, p.3-4.
6 Studiedag van Kristenen voor het Socialisme (KVS) over Het Sienjaal, Antwerpen, 16 november 1996.
7 Allicht denkt Maxim Stroobant hier aan prof. Herman Verwilst. Deze SP’er en mede-ondertekenaar van Het Sienjaal is de gewezen kabinetschef van Willy Claes op Economische Zaken. Hij speelde de sleutelrol bij de privatisering van de ASLK. Hij speelde deze openbare bank door aan de Nederlands-Belgische bank- en verzekeringsgroep Fortis-AG. Als voorzitter van de geprivatiseerde ASLK-bank “heeft hij het pak aangetrokken van een privé-patroon en het past hem als gegoten. De ASLK hoeft niet meer te blozen over haar winst die zeer ‘privé’ is geworden.” Aldus de beurskrant L’Echo, van 17 april 1996 die zinspeelt op het toprendement van 12% dat de ASLK had bereikt. Onlangs is Verwilst gepromoveerd tot vice-voorzitter van Fortis, een absolute topfunctie in de Europese financiële wereld. Aan de zijde van Maurits Lippens, een adellijke financier uit de groep van de Generale Maatschappij, leidt Verwilst nu de Belgische tak van Fortis. Verwilst vormt het levende bewijs hoe de SP een partij is van het grootkapitaal en zich volledig in het kapitalistische systeem heeft geïntegreerd. Dat iemand als Verwilst probleemloos de klaagzangen van Het Sienjaal kon ondertekenen over het de ongebreidelde concurrentie en de macht van de concerns, bewijst hoe ongevaarlijk deze tekst is voor het grootkapitaal.
8 Verslag van een uiteenzetting op 24 oktober 1996 voor de werkgroep Politieke Vorming van KVS-Brussel, p.1.
9 Studiedag van KVS over Het Sienjaal, Antwerpen, 16 november 1996.
10 Boehm Rudolf, Vrede, nr. 320, juli-augustus 1996, p.34.
11 Studiedag van KVS over Het Sienjaal, Antwerpen, 16 november 1996.
12 Grenzen aan de concurrentie, Rapport van de Groep van Lissabon o.l.v. Ricardo Petrella, VUBPRESS, 1994.
13 Cottenier Jo, “Marx of Petrella? Riccardo Petrella, de nieuwe ideoloog van de linkerzijde?” in Solidair nr. 44, en Van Duppen Dirk, “Riccardo’s Petrella’s illusie over de sociale contracten,” in Internationale Solidariteit, jrg. 21; nr.1, september 1996.
14 Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, 1917. Nederlandse uitgave door Pegasus, 1971, p..
15 Het Sienjaal doorgelicht door de economen Geert Dancet en François Willekens, Samenleving en politiek, jg. 3, nr. 5.
16 Coppieters Maurits, Religieus-socialisme en Het Sienjaal, brief van 5 november 1996 aan Kristenen voor het Socialisme, p.3.
17 De Man Hendrik, Zur Psychologie des Sozialismus, Jena, Diederichs, 1926. Vooral bekend in de Franse uitgave, Au delà du marxisme (Het marxisme voorbij), 1929.
18 Hendrik De Man, Au delà du marxisme, Ed. du Seuil, Parijs, 1974, p.35 (Voorwoord van Michel Brélaz en Ivo Rens). Geciteerd in Sternhell Zeev, Ni droite, ni gauche. L’idéologie fasciste en France. Editions complexe, 1987, p.162.
19 Ibidem, p.38. Geciteerd in Zeev Sternhell, Ni droite, ni gauche. p.162.
20 Ibidem, p.418. Geciteerd in Zeev Sternhell, Ni droite, ni gauche. p.393.
21 Henri De Man, Après Coup (Mémoires), Ed. de la Toison d’or, Bruxelles, p.191.end
22 Dit is overigens een vervalste voorstelling van het marxisme door De Man. Het marxisme erkent immers tenvolle de wisselwerking tussen de politiek, de ideologie, het recht, de moraal enz. en de economische basis. De 18de Brumaire van Louis Bonaparte van Marx (1852) en De buitenlandse politiek van het Russische tsarisme van Engels (1890) zijn daar briljante voorbeelden van.
23 De Man Henri, Le socialisme constructif, Alcan, Paris, p.94 en 97.
24 De Man Henri, Au delà du marxisme, op.cit., p.419.
25 Coppieters Maurits, Religieus-socialisme en Het Sienjaal, brief aan KVS, op.cit., p.1.
26 Boehm Rudolf, Vrede nr. 320, juli-augustus 1996, p.33.
27 Rosseel Eric, Het ethisch socialisme in Vlaanderen, de 20ste eeuw overbrugd,VUBPRESS Brussel, 1996, p.16. Rosseel is een van de weinigen die ook van oordeel is dat het teruggrijpen naar de basisfilosofie van Hendrik De Man de voornaamste reden is om Het Sienjaal af te wijzen. Rosseel noemt zichzelf een “liberaal marxist”(een contradictio in terminis voor al wie de kritiek van Marx op de burgerlijke liberale “vrijheid” kent) maar huldigt in feite een eigen soort anarchistisch-libertaire ideologie.
28 Ibidem, p.226.
29 Engels Friedrich,Over het woningvraagstuk (1887). Uitgave SUN, Nijmegen, 1970, p.50.
30 Coppieters Maurits, Religieus-socialisme en Het Sienjaal, brief aan KVS, op.cit., p.1.
31 Rosseel Eric, op.cit., p.71.
32 De Man Henri, Le socialisme constructif, op.cit., p.28-29.
33 Ibidem.
34 Ibidem, p.4.
35 Ibidem, p.2.
36 Geciteerd in de Groot Paul, De dertiger jaren , Herinneringen en overdenkingen, Pegasus, Amsterdam, 1967, p.41. Paul de Groot was voorzitter van de Communistische Partij van Nederland (CPN).
37 Ibidem.
38 De Man Henri, Les leçons de la guerre, Le Peuple, 1920, P.39.
39 Socialisme en post-moderniteit, EPO, Berchem, 1990.
40 Lowette Toon, Monologen met Norbert De Batselier, Leuven, Kritak, 1992, p.26 en 28.
41 Vandenbroucke Frank, Op zoek naar een redelijke utopie. Kanttekeningen bij het Rapport van de Groepvan Lissabon, Samenleving en Politiek, jg. 3/1996 nr. 4, p.3 tot 27.
42 Ibidem, blz. 23.
43 Vandenbroucke Frank, Een sienjaal om aan de slag te gaan Samenleving en Politiek, jg. 3/1996 nr. 5, p.7.
44 De inkomsten uit vermogens stegen van 932 miljard in 1987 tot 1.611 miljard in 1995, bijna een verdubbeling.
45 Rosseel Eric, op.cit., p.138-139.
46 Adam Smith is de geestelijke vader van het geloof in de ‘de onzichtbare hand’ die de kapitalistische economie “leidt” door middel van de mechanismen van vraag en aanbod en van de concurrentie
47 Vandenbroucke Frank, Op zoek naar een redelijke utopie, op.cit., p.13.
48 Vandevelde Toon, Sympathie en eigenbelang. Selektief-Infotex, p. 34, geciteerd in Frank Vandenbroucke, Op zoek naar een redelijke utopie, op.cit., p.13.
49 Boehm Rudolf, Vrede nr. 320, juli-augustus 1996, p.34
50 Het Sienjaal, op.cit., p.191.
51 Martens Ludo, DeVlaams-nationalisten in de Eerste Wereldoorlog in Marxistische Studies nr. 30, 1996, p.28-31.
52 Van Severen Joris in Ter Waarheid, nr.1, januari 1921. Geciteerd door Maurits Coppieters in Het vuur in de verte, toespraak in het Leuvense stadhuis, ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van het Masereelfonds, Aktief, februari 1996, p.6-7.
53 Eric Defoort is professor aan de Katholieke Universiteit van Brussel en was verkiezingskandidaat voor de Volksunie.