[ Inhoud ]
Heel wat leden van de SP en de PS denken dat hun partij in het begin, voor de
Eerste Wereldoorlog, een marxistische partij was die de klassenstrijd voerde
tegen het kapitalisme. Dat is een mythe die tegengesproken wordt door de historische
feiten. Vanaf zijn ontstaan verzette de Belgische Werklieden Partij zich zowel
tegen de revolutionaire klassenstrijd als tegen de marxistische opvatting over
de staat en het socialisme.
De leiders van de SP en de PS kennen de geschiedenis van hun partij en ze beliegen
hun militanten op schaamteloze wijze. Deze eerste mei hebben wij zo'n leugens
gehoord, gericht aan de leraars. Vande Lanotte met naast hem Di Rupo, riep in
Frameries: "De patroons zijn er in honderdvijftig jaar niet in geslaagd
het socialisme op de knieën te krijgen. De leraars zullen daar ook niet in slagen."
(92) Destrée, gesteund door Busquin, zei in Verlaine: "Als de linkerzijde
in verspreide slagorde tegenover de opgang van extreem-rechts staat, dan gebeurt
het ergste." (93) Ieder woord in deze zinnen is een historische leugen.
De onbetwistbare feiten die hier volgen zullen dat bewijzen.
[ Inhoud ]
Alles lag al besloten in de zin die César De Paepe in 1890, vijf jaar na de
stichting van de partij, uitsprak: "Wij willen het algemeen stemrecht om
de revolutie te vermijden. Hervorming of revolutie, algemeen stemrecht of algemeen
oproer, dat is het dilemma waarvoor het Belgische volk staat." (94)
In 1886, 1887 en 1891 brandden twee hongeropstanden en een spontane staking
voor het algemeen stemrecht los. De Belgische Werklieden Partij leidde die niet.
Erger nog, ze desolidariseerde zich ervan en noemde ze 'voorbarig.'
De 11de april 1893 verwierp de regering het algemeen stemrecht en de BWP kondigde
de algemene staking af. De arbeiders kwamen in botsing met de ordestrijdkrachten.
Er werden arbeiders vermoord in Jolimont en Jemappes, in Brussel en in Borgerhout.
De socialistische leiders leidden noch ondersteunden de strijd. Ze probeerden
de liberalen ervan te overtuigen in hun plaats in de Kamer het algemeen stemrecht
te eisen. Ze gingen zo ver aan de liberalen het stopzetten van de staking te
beloven zonder dat het algemeen stemrecht (uitsluitend voor mannen, welteverstaan)
veroverd was. Ze stelden zich tevreden met het meervoudig stemrecht: drie stemmen
voor een rijke man, één stem voor een arme man, geen stem voor een vrouw! En
zo gebeurde het.
De 9de april 1902 brak de tweede algemene staking uit in de Belgische geschiedenis.
Tegen de wil van de BWP! Er waren driehonderdduizend stakers. Er vielen doden
in Houdeng, in Leuven en in Brussel. De staking was vijf dagen bezig toen de
leiding van de partij haar 'erkende' om haar te controleren en er zes dagen
later een einde aan te maken zonder dat de minste toegeving afgedwongen was.
Vandervelde erkende dat hij vanuit de socialistische basis "het voorwerp
was van protesten, woede-uitbarstingen, uiterst scherpe kritieken en zelfs beledigingen".
(95) 94 jaar geleden al wierp de basis eieren en tomaten naar de sociaal-democratische
kopstukken.
Vanaf 1908 maakte de BWP openlijk plannen bekend om samen met de liberalen te
regeren. Ze werd met de dag vijandiger tegenover de klassenstrijd.
Maar de werkers eisten de algemene staking om de politieke gelijkheid af te
dwingen. De burgerij had intussen uitstekend begrepen dat het algemeen stemrecht
geschikt was om de socialistische leiders in te schakelen in de burgerlijke
orde. In februari 1913 zei de katholieke eerste-minister de Brocqueville aan
Vandervelde: "Ik heb besloten het algemeen stemrecht mogelijk te maken."
Hij zei ook dat hij, gezien het oorlogsgevaar, toegevingen wilde doen aan de
BWP om de nationale eenheid te kunnen realiseren. De Brocqueville dacht er al
aan de socialistische partij te gebruiken om de arbeiders mee te trekken in
de komende inter-imperialistische oorlog. Drie weken lang probeerde Vandervelde
de algemene staking te vermijden.
Toen hij die uiteindelijk toch moest afkondigen, werd het een staking onder
strenge controle, zonder betogingen, meetings en vlammende toespraken maar gesponsord
-- 't is geen grap -- door de patroons. In zijn memoires stoeft Vandervelde
dat steenkoolbazen en directeurs van de Société Générale hem verschillende miljoenen
gaven om de staking te steunen! "In de loop van de staking kregen wij van
verschillende kanten steun, wat erop wees dat er bij sommige grote bourgeois
sympathie leefde voor de zaak van het volk. Op het kasteel van Mariemont gaf
kasteelheer Raoul Warocqué, sinds jaren een persoonlijke vriend van mij, zijn
mijnwerkers de volle toelating om het werk neer te leggen. De hele duur van
het conflict gaf hij de kinderen van de stakers te eten. Een directeur van de
Société Générale, Emile Franqui, die later gouverneur werd van die maatschappij,
bezorgde me anoniem een dikke cheque om de stakers te steunen. Mijnheer Marquet,
de grote baas van de casino's, gaf 600.000 frank." (96)
Voor de burgerij was de grote staking van 1913 het bewijs dat de leiders van
de socialistische partij de woede van de massa's konden beheersen en dat zij
klaar stonden voor de loyale collaboratie met het patronaat en de kapitalistische
staat. Mijnheer Vande Lanotte, u verneemt het misschien pas nu, maar het is
toch al 90 jaar geleden dat de patroons ermee opgehouden zijn uw burgelijk socialisme
te bekampen.
Vanaf het begin dus verraad van de revolutionaire klassenstrijd.
[ Inhoud ]
Vanaf het begin ook verraad van de marxistische opvatting over de staat.
Marx heeft aangetoond dat in de kapitalistische maatschappij de dictatuur van
de grote burgerij heerst en dat de burgerlijke staat het voornaamste instrument
is van die dictatuur. Marx heeft aangetoond dat de klassenstrijd gevoerd moet
worden tot aan de socialistische revolutie. De revolutie moet de staatsmachine
en vooral zijn repressie-instrumenten vernietigen. De revolutie moet een nieuwe
staat scheppen, de staat van de werkende massa's die de dictatuur van de werkers
zal uitoefenen over de kleine minderheid van uitbuiters.
Het werk van Marx 'De burgeroorlog in Frankrijk' is 125 jaar oud. Na 100 jaar
verraad van de SP vallen de woorden van Marx op door hun actualiteitswaarde
en hun indringendheid. Na de mislukking van de Commune van Parijs maakte Marx
het bilan van de voorbije revolutie op en hij schreef: "De arbeidersklasse
kan er zich niet mee tevreden stellen de staatsmachine als dusdanig over te
nemen en haar te doen functioneren voor haar rekening. De gecentraliseerde macht
van de staat met zijn alom tegenwoordige organen: staand leger, politie, bureaucratie,
clerus en magistratuur dateert uit de tijd van de absolute monarchie. Naarmate
de vooruitgang van de moderne industrie het klasse-antagonisme tussen Kapitaal
en Arbeid ontwikkelt, neemt de staatsmacht steeds meer het karakter aan van
een nationale macht van het Kapitaal over de Arbeid, van een apparaat voor klasse-overheersing.
Het pure repressieve karakter van de staatsmacht zal steeds meer openlijk worden.
De staat is niets anders dan een machine ter onderdrukking van een klasse door
een andere." (97) "(Dankzij) de openlijke revolutie vestigt het proletariaat
zijn overheersing door de gewelddadige omverwerping van de burgerij." (98)
"De arbeidersklasse moet de oude onderdrukkingsmachine die tot dan tegen
haar gebruikt is uitschakelen." (99)
De liberale politiek van de huidige socialistische leiders vindt zijn oorsprong
in 1900, bij Emile Vandervelde (). Als tegendeel van het marxisme beweerde
Vandervelde dat de werkers naar het socialisme kunnen overgaan zonder de burgerlijke
staat te breken.
Hij zegt dat de burgerlijke staat een slechte kant en een goede kant heeft.
De slechte kant, dat is de klasse-repressie. De goede kant, dat is het beheer
van de maatschappij. De slechte kant, dat is "de staat als rijkswachter,
politieagent, legercommandant". De goede kant, dat is "de staat als
schoolmeester of als industrieel". Over die goede kant zegt Vandervelde
ook nog: "De staat zet de arbeidsinspectie op, organiseert de strijd tegen
tuberculose en syphilis, bevordert de goedkope woningbouw, baat lokale spoorwegen
uit." (100)
Volgens Marx handelt de burgerlijke staat uitsluitend in het belang van de kapitalisten.
Haar rol van repressie en onderdrukking van de werkers is essentieel. De burgerlijke
staat moet ook de maatschappij organiseren in het belang van de kapitalisten,
alle voorwaarden scheppen opdat de patroons voldoende goed gekwalificeerde en
gezonde arbeiders zouden kunnen vinden om maximale winst te realiseren. En tenslotte
moet de staat soms toegevingen doen door de revolutionaire strijd van de werkers.
Maar die toegevingen blijven partieel en kunnen weer afgebroken worden zodra
de krachtsverhouding veranderd is.
Met zijn theorie van de goede en de slechte kant ontkent Vandervelde het klassekarakter
van de staat. Hij ontkent het feit dat de burgerlijke staat door de burgerij
geschapen is om de macht van de burgerij te verdedigen. Vandervelde ontkent
dat de burgerlijke staat in essentie een machine is van klasse-repressie en
klasse-overheersing die om die reden door de revolutie gebroken moet worden
en vervangen door een fundamenteel verschillende staat die de belangen van de
werkers uitdrukt en verdedigt. Vandervelde werkte zijn theorie van goede en
slechte kant uit om de noodzaak van de socialistische revolutie te ontkennen.
De socialistische partij zou door verkiezingen in de regering komen en zo de
slechte kant van de staat verminderen en de goede kant ontwikkelen wat uiteindelijk
zou uitdraaien op een socialistische staat. Hoe zal Vandervelde het socialisme
verwezenlijken? Zijn antwoord: "Door een reeks onopvallende veranderingen
zullen de autoritaire functies van de staat op vreedzame wijze verdwijnen, terwijl
zijn economische functies steeds belangrijker zullen worden." (101) Dankzij
progressieve hervormingen zullen de autoritaire aspecten van de kapitalistische
staat dus verdwijnen en de nieuwe, louter administratieve en economische staat
zal een socialistische staat zijn.
Dat duurt nu al meer dan een eeuw dat de leiders van de SP en de PS de werkers
wetens en willens met die leugen bedriegen. Het resultaat: de kapitalistische
staat is oneindig meer onderdrukkend, anti-volks, gewelddadig en militair dan
in 1896.
[ Inhoud ]
Tenslotte verraadde de Belgische Werklieden Partij ook vanaf het begin de socialistische
principes.
Volgens Marx is de kapitalistische uitbuiting gebaseerd op het privé bezit van
de productiemiddelen en op de vrije markt. Er is een socialistische revolutie
nodig om de uitbuitende minderheid te onteigenen. De productiemiddelen moeten
de gemeenschap toebehoren en de productie moet verlopen volgens een plan en
in functie van de essentiële noden van de werkers.
Op dat terrein bestreed Vandervelde het marxisme op twee manieren. Vooreerst
steunde hij een thesis van de anarchisten die zeggen dat de arbeiders hun eigen
productie- en handelscoöperaties moeten oprichten. Zo, aldus Vandervelde "stichten
zij een staat in de staat waarvan de groeiende macht de kapitalistische overheersing
zal vervangen door coöperatief beheer". (102) Kortom, de arbeiderscoöperatieven
zullen zonder revolutie en in een maatschappij beheerst door de vrije markt
de kapitalistische ondernemingen door de concurrentie uitschakelen. De geschiedenis
heeft aangetoond hoe potsierlijk die thesis is.
Vervolgens bekampte Vandervelde het marxisme door een liberaal plan voor de
socialisatie van de productie over te nemen. De liberale senator en grootindustrieel
Solvay stelde in 1899 inderdaad een 'plan voor vrije socialisatie voor' dat
onmiddellijk de steun kreeg van de 'marxist' Vandervelde. Vande Lanotte beweerde
op 1 mei dat de patroons al 150 jaar de SP en de PS op de knieën willen krijgen.
Maar het openlijke bondgenootschap tussen de grote patroon Solvay en Vandervelde
dateert van 1899.
Volgens het plan-Solvay "zal het privé initiatief dat schepper is van het
ondernemen volledig blijven bestaan terwijl de staat nochtans toch meer en meer
zal socialiseren." (103) Het kapitalisme was in volle expansie en Solvay
wilde dat de staat kapitalen aanbracht voor zijn ondernemingen. Vandervelde
onderschreef deze idee en wikkelde ze in een pseudo marxistisch taaltje. Hij
zei: "De deelname van de staat in de ondernemingen zal dezelfde gevolgen
hebben als de integrale socialisatie van de grote industrieën. Het penetratie-systeem
dat Solvay voorstaat, maakt het mogelijk van het kapitalistisch regime over
te gaan naar het integraal socialistisch regime." (104)
Vandaag weten we wat er van die zogezegde overgang naar het socialisme geworden
is, nu liberalen en sociaal-democraten zich inspannen om dat gedeelte van de
kapitalistische productie dat beheerd werd door de burgerlijke staat te privatiseren.
In 1919, toen de werkers in de hele wereld sympathiseerden met de oktoberrevolutie,
stelde Vandervelde het plan van de liberaal Solvay voor als een revolutie.
Vandervelde nam in 1919 inderdaad met andere vertegenwoordigers van de zegevierende
imperialistische machten deel aan de Commissie voor internationale arbeidswetgeving
waaruit het Internationaal Bureau van de Arbeid voortkwam. In een commentaar
op de conclusies van de Commissie zei Vandervelde: "Het regime dat zij
voorstelt is een overgang tussen het absolutisme van het patronaat en de souvereiniteit
van de arbeid. Om van het ene naar het andere te gaan, zijn verschillende wegen
mogelijk. Door opstand en geweld of integendeel met een minimum aan botsingen.
Er zijn twee methodes om de revolutie te maken die zich vandaag in de wereld
voltrekt: de Russische en de Britse methode. De Britse methode heeft mijn voorkeur."
(105) Vandervelde beweerde dus dat hij 'een langzame en progressieve overgang'
zou organiseren tussen de dictatuur van het kapitaal en het socialisme, tussen
het privé eigendom en de collectieve eigendom van de productiemiddelen. Vandervelde
verklaarde dat deze weg naar het socialisme gevolgd werd in Groot-Brittannië,
de grootste imperialistische en kolonialistische macht van die tijd! En omdat
de Belgische werkers verlangden naar de revolutie, moest Vandervelde hen voorliegen
dat die weg naar hetzelfde resultaat leidde als de sovjetrevolutie: het socialisme.
[ Inhoud ]
De Eerste Wereldoorlog plaatste twee even bloeddorstige imperialistische blokken
tegenover elkaar.
De burgerij van de twee kanten voerde een oorlog voor een nieuwe verdeling van
de kolonies. Engeland en Frankrijk wilden hun koloniale rijken bewaren tegen
Duitsland, de nieuwe, groeiende macht die haar deel opeiste van de koloniale
buit. België wilde Kongo houden dat direct bedreigd werd door Duitsland. Rusland
sloot zich bij hen aan om een deel van de Balkan van Oostenrijk af te pakken
en om de Bosporus en de doorgang nar de Middellandse Zee onder controle te krijgen.
Duitsland wilde zich ten opzichte van de Engelse supermacht versterken door
een deel van Europa te controleren. Bij dat deel hoorde België, het noorden
van Frankrijk, de Baltische staten en de Balkan. Duitsland wilde ook dat de
uitgestrektheid van zijn kolonies in verhouding was met zijn economische macht.
Maar Vandervelde riep uit dat deze imperialistische oorlog "een heilige
oorlog (was) voor het recht, de vrijheid en de beschaving. Wij vechten voor
het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren." (106)
Aan de andere kant steunde de baas van de Duitse socialisten ook zijn 'eigen'
imperialistische burgerij. Deze kerel, Scheidemann, schreef: "Voor ons
volk en voor zijn vrije toekomst betekent een overwinning op het Russisch despotisme
veel, zoniet alles. Wij moeten de cultuur en de onafhankelijkheid van ons land
bewaren. In het uur van gevaar zullen wij ons vaderland niet in de steek laten."
(107)
De burgerij van de twee kanten voerde ook de oorlog om een einde te maken aan
de revolutionaire krachten in eigen land. In België plaatste de burgerij de
socialistische leiders voor de keuze: ofwel vasthouden aan marxistische standpunten
en de gevangenis in vliegen, ofwel collaboreren met het burgerlijke regime en
haar belangen verdedigen. De leiders van de BWP hadden al lang hun keuze gemaakt
en de burgerij wist dat. Toen eerste-minister de Brocqueville de eerste dagen
van de oorlog aan Vandervelde voorstelde lid te worden van de burgerlijke regering,
antwoordde Vandervelde: "Daar heb ik maar één antwoord op mijnheer de voorzitter:
ik aanvaard!" (108) Het is met die woorden dat de formele overgang van
de SP en de PS bezegeld werd naar de kant van de kapitalistische orde, naar
de kant van de imperialistische orde, naar de kant van de monarchie, naar de
kant van de oorlogskrachten. Dat gebeurde dus exact 82 jaar geleden!
Laat ons eens kijken wat dat inhield.
De oorlog veroorzaakte zeer scherpe sociale tegenstellingen want 700.000 arbeiders
leefden van een werkloosheidsuitkering en mensen, dat is de helft
van de bevolking, leefde van internationale hulp. (109) Maar Vandervelde ontkende
de klassenstrijd en verplichtte de noodlijdende arbeiders van zich op te stellen
achter de patroons. "Wij waren verdeeld, zegde hij, door de klassenstrijd.
Welnu! De Duitse dreiging was voldoende opdat wij unaniem zouden zijn."
(110) "In het Belgische parlement zijn geen republikeinen meer, of monarchisten,
of socialisten, of liberalen, of katholieken, of Vlamingen, of Walen. Er is
één unaniem volk!" (111) Allen verenigd om de arbeiders en de boeren in
een misdadige roofoorlog te storten, de grootste slachtpartij uit de geschiedenis!
Vandaag, in 1996, zijn veel mensen van links er zich van bewust dat er geen
enkel essentieel verschil is tussen de socialistische, liberale en katholieke
leiders. Maar dat dateert dus al van 1914.
Het socialisme is altijd republikeins geweest. Het kan niet leven binnen feodale
monarchistische structuren. Vandervelde die vanaf het begin van de oorlog monarchist
geworden was groette koning Albert I aldus: "De moedige koning (die) ervan
droomt het koningschap te verzoenen met de democratie, en misschien met het
socialisme." (112)
Vlak voor de oorlog was Vandervelde nog van leer getrokken tegen "die klasse-staat,
gefundeerd op macht, met, tegen de binnenlandse en buitenlandse vijand, haar
militair apparaat". (113) Maar vanaf het begin van de oorlog werd Vandervelde
een verbeten militarist en hij riep uit: "Deze oorlog moet tot het einde
gevoerd worden. Wij willen dat deze oorlog voortduurt om niet verplicht te zijn
ze weldra te moeten herbeginnen." (114) Vandervelde steunde de expansionistische
politiek van de Belgische burgerij en eiste de annexatie van Eupen-Malmédy en
van het Groot Hertogdom Luxemburg en later van Ruanda en Burundi. (115)
Onmiddellijk na de oorlog riep koning Albert de socialistische patron Vandervelde
bij zich op het kasteel van Loppem. De koning vreesde voor een sociale revolutie
in België en om die tegen te gaan vroeg hij aan Vandervelde om zitting te nemen
in een regering van nationale eenheid. De patron van de BWP aanvaardde onmiddellijk.
(116)
[ Inhoud ]
Vande Lanotte beweert dat de patroons een eeuw geleden de SP/PS wilden vernietigen.
Maar bijna een eeuw geleden werd Vandervelde de intieme vriend van de grote
koloniale patroons, van de leiders van de Société Générale, Albert Thys, Emile
Franqui en Félicien Cattier!
In 1886 stichtte Albert Thys, kapitein van de generale staf en ordonnansofficier
van Leopold II de eerste grote koloniale holding, de Compagnie du Congo pour
le Commerce et l'Industrie (CCCI). Daarna stichtte hij de Compagnie du Chemin
de Fer du Congo, de Compagnie du Katanga en de Banque d'Outremer. In samenwerking
met de Société Générale stichtte Thys in 1906 de Union Minière, in 1909 Banque
du Congo Belge en in 1910 de Compagnie Maritime Belge. (117)
Vandervelde schreef: "Ik trad in nauw contact met kolonel Thys en wij werden
vrienden." Vandervelde benadrukte 'de gevoeligheid' van kolonel Thys die
de basis vormde van 'zijn revolte tegen het leopoldistisch systeem'. (118)
Waarover ging het? Leopold II had tijdens de Conferentie van Berlijn van 1885
de Kongostaat als zijn persoonlijk domein gekregen. De Belgische kapitalisten
waren niet geïnteresseerd in deze verlieslatende onderneming. Leopold II baatte
Kongo uit en zei dat alle 'vacante' terreinen zijn eigendom waren. Hij eiste
onder militaire dwang dat de zwarten hem rubber en ivoor leverden.
Maar van zodra duidelijk werd dat er in Kongo lucratieve zaken te doen waren,
eisten de Belgische patroons hun deel op. Vandervelde gaf toe: "Thys was
zwaar in zijn belangen aangetast door de uitbouw van het formidabele staatsmonopolie
dat enkel voor het profijt van de absolute monarch Leopold II werkte, ten koste
van de privé ondernemingen." (119)
Vanaf 1903 plaatste Vandervelde zich aan de kant van de grote Belgische patroons
die van Kongo een Belgische kolonie wilden maken tegen Leopold II die 'zijn'
Kongo voor hem alleen wilde houden.
Zo werd Vandervelde een heel nauwe vriend van Emile Francqui, de gouverneur
van de Société Générale, voorzitter van Union Minière, afgevaardigd-beheerder
van Forminière, vice-voorzitter van de Banque du Congo belge. (120)
Zo voerde Vandervelde 'zijn strijd' aan de zijde van Félicien Cattier, de vice-gouverneur
van de Société Générale, bestuurder van Union Minière. (121)
De koloniale teksten van de liberale patroon Cattier zijn nagenoeg identiek
aan die van Vandervelde. Félicien Cattier: "Het uitbatingsregime van de
staat moet zo snel mogelijk afgeschaft worden en vervangen door de vrijhandel.
Het heil van de inboorlingen, de economische welvaart en de financiële gezondheid
van de staat staan op het spel." (122)
De sociaal-liberaal Vandervelde: "Vanuit puur economisch standpunt deugt
het huidige systeem niet meer." (123) "Om de zwarten ertoe te brengen
op een voor de Europeanen winstgevende manier te werken moeten zij aangeworven
worden tegen een rechtmatige verloning. Het systeem van vrije arbeid moet mogelijk
gemaakt worden door de betaling in lonen en producten, door de vrijhandel."
(124)
Vandervelde had heel de leiding van de BWP overtuigd van de noodzaak en het
nut van de Belgische kolonisatie van Kongo. Hij legde hen uit dat de 'opofferingen'
van de beginfase zouden kunnen gecompenseerd worden door de inkomsten uit rubber,
koper en diamant. "Zullen de opofferingen die iedereen voor het begin voorziet
geen compensatie krijgen door echte voordelen? De economische toekomst van Kongo
zal afhangen van een reeks factoren zoals de prijs van het rubber, het succes
van de Europese en inlandse planterijen, het belang van minerale rijkdommen
in een gebied waarvan de ontginning nog maar begonnen is, de industriële en
landbouwontwikkeling in streken zoals Katanga." (125)
Vandervelde werd binnen de BWP de rechtstreekse woordvoerder van de grote Belgische
kapitalisten die via het kolonialisme hun winsten wilden optrekken. Hij zei:
"België, of zo men wil, de Belgische burgerij is naar Kongo getrokken.
Ze heeft er belangen in genomen. Ze heeft er ondernemingen gesticht waarvan
het aantal voortdurend stijgt. Niemand kan in alle ernst geloven dat ze na vijfentwintig
jaar stappen achteruit zou zetten en de plaats zou laten aan anderen. Ze zou
zichzelf daarmee moreel zwaar vernederen." (126)
Vandervelde rechtvaardigde de koloniale uitbuiting en onderdrukking natuurlijk
door deze verwerpelijke 'sociale' demagogie die het echte waarmerk van de BWP
is. Wij vinden hier een andere vorm van het burgelijk socialisme: ja aan de
kolonisatie in naam van de belangen van de zwarten, in naam van de beschaving,
het humanisme en het socialisme! Vandervelde: "De enige vorm van beschavende
tussenkomst die wij kunnen toestaan is deze die in het rechtstreekse belang
van de inlanders is en enkel in het indirecte (!) belang van de beschaving 'brengers'.
Als het Belgische proletariaat geweken zou zijn voor het werk van hervormingen,
dan zou het ontrouw geweest zijn aan de grote humanitaire traditie van het socialisme.
De socialisten waren eensluidend. De werkers moeten tegenover de kapitalistische
koloniale politiek niet steriel negatief zijn maar een inlandse socialistische
politiek volgen." (127)
Vandervelde citeert met instemming Charles Gide: "Voor de verst ontwikkelde
volkeren is de kolonisatie niet zozeer een recht dan een plicht tegenover de
achtergebleven volkeren." (128)
Vandervelde is de geestelijke vader van het 'interventierecht' en de 'humanitaire
tussenkomsten' die onze Tobback, Coëme en Busquin in Irak en Ruanda toegepast
hebben.
[ Inhoud ]
Na Vandervelde werden Paul-Henri Spaak en Hendrik De Man de twee grote vedetten
van de SP/PS.
Toen hij 28 jaar was, kritiseerde Spaak, die met het trotskisme flirtte, het
reformisme van Vandervelde. "Het reformisme, dàt is onze vijand. De socialistische
revolutie is ons ideaal. Wij aanvaarden het principe van het privé eigendom
niet, noch dat van de loonarbeid. Wi willen niet alleen de radicale omvorming
van de maatschappij, maar wij denken ook dat die gewelddadig zal zijn. Door
ons te steunen op de dictatuur van het proletariaat, zullen wij de hele politieke
superstructuur van vandaag doen kantelen." (129) Niet meer dan dat! Is
dat niet het model dat te volgen is door diegenen die rond Moureaux en de Jongsocialisten
zeggen te werken aan een 'radicale ommezwaai naar links'?
In 1934 is Hitler aan de macht in Berlijn. Spaak is 35 jaar en hij zegt: "Wij
moeten onze fascisten uitroeien nu dat nog kan. Alleen de kracht zal beslissen
tussen socialisme en fascisme." (130) En hij vervolgt: "Wij kunnen
niet aanvaarden dat sommigen van ons aanvaarden minister te worden onder een
kapitalistisch regime. Weg met de regering van bankiers. De arbeidersklasse
aan de macht!" (131) Welke trotskist zou het beter kunnen zeggen?
Welnu, precies drie maanden na deze uitspraak, werd Spaak minister in de regering
van nationale eenheid onder Van Zeeland.
Een jaar later, in 1936, Spaak is nu minister van Buitenlandse Zaken, weigert
hij de wettige Spaanse regering te steunen tegen de fascistische opstand van
Franco. Hij verklaart in de Kamer: "Ik heb beslist mijn ideologische voorkeur
totaal te vergeten." (132)
Toen in 1938 de oorlog almaar dreigender werd, zei Spaak: "Sommigen willen
ons meetrekken in een politiek van solidariteit van de democratieën tegen de
fascistische staten. Ik wens daar niet aan mee te doen." Spaak weigerde
eveneens een verbond met de Sovjet-Unie tegen het nazisme. En hij besloot: "Als
Groot-Brittannië en Frankrijk Tsjecho-Slowakije ter hulp willen snellen door
Duitsland via België binnen te vallen, dan zullen zij hier beschouwd worden
als invallers." (133)
PS-voorzitter Busquin zei dat 'de verdeling in het linkse kamp enkel extreem-rechts
ten goede komt'. Die uitspraak heeft als doel het historische feit te verbergen
dat de sociaal-democratie op actieve wijze het fascisme geholpen heeft. De Belgische
sociaal-democratie heeft de Spaanse republikeinse regering die tegen de fascistische
opstand vocht, in de rug gestoken. De sociaal-democratie heeft het verbond met
de Sovjet-Unie en zelfs de alliantie met Engeland en Frankrijk om de oorlogsplannen
van Hitler te verhinderen bekampt.
[ Inhoud ]
In de jaren vormden Spaak en De Man een onafscheidelijk duo. In mei
1939 werd De Man tot voorzitter van de partij gekozen dankzij de steun van Spaak.
Samen verdedigden zij hun programma van 'nationaal socialisme' dat "verkondigde
dat het socialisme zich enkel inspireerde aan het gemeenschappelijk welzijn
en het nationaal belang" en dat "alle productieve klassen op dezelfde
voet plaatste". (134)
"In 1939, zegt De Man, eisten Spaak en ik een 'autoritaire democratie'.
Wij stelden dat men er fout aan deed de 'fascistische' bewegingen te beschouwen
als pogingen tot restauratie door de reactie terwijl zij in werkelijkheid een
revolutionaire rol speelden." (135)
Toen Hitler België bezette, publiceerde Hendrik De Man, de voorzitter van de
SP/PS, in naam van zijn partij een Manifest: "Ziehier wat ik u vraag te
doen. Geloof niet dat er weerstand moet geboden worden aan de bezetter. Aanvaard
eerder het feit van zijn overwinning en probeer er lessen uit te trekken. Voor
de werkende klassen en voor het socialisme is deze ineenstorting van een vermolmde
wereld verre van een ramp te zijn een bevrijding. De weg ligt open voor de twee
doelstellingen die de verzuchtingen van het volk samenvatten: de Europese vrede
en de sociale rechtvaardigheid." (136)
Men zegt ons dat de Partij van de Arbeid 'het spel van extreem-rechts speelt'
door de kapitalistische en imperialistische politiek van de leiders van SP en
PS te kritiseren en te bekampen. Dat is eenvoudig intoxicatie. Al in 1939 waren
de twee denkers van de SP/PS, Spaak en De Man, al zo hardnekkige verdedigers
van het kapitalisme en het imperialisme geworden, dat ze de 'revolutionaire
rol' van de fascistische partijen begroetten! In 1940 was de socialistische
partij zo ontaard dat ze zich verbond met het Hitler-fascisme. De 23ste augustus
1940 ondertekende Achiel Van Acker, die later eerste-minister werd van een 'democratische'
regering, het Manifest van De Man en hij sprak zich uit 'ten gunste van de nieuwe
orde'. (137)
Eenmaal dat de
oorlog voorbij was en het fascisme vernietigd dankzij de onmenselijke inspanningen
van het sovjetvolk en het Rode Leger, werden Spaak en Van Acker, de twee oude
sympathisanten van het fascisme, eersterangs figuren in het 'nieuwe' democratische
België. Uit vrees voor de ontwikkeling van een revolutionaire beweging, verklaarde
eerste-minister Van Acker op 19 mei 1945: "Agitatoren die onze democratische
instellingen willen vernietigen voeren in het hele land propaganda om de economische
herneming te stoppen. De Belgische regering heeft beslist dat drie dagen lang
iedere staking verboden is. Vanaf morgen zullen alle provocateurs en alle agenten
van de vijfde colonne aangehouden worden." (138)
In 1950 is de oude 'revolutionair' Spaak nauw verbonden met het Amerikaans imperialisme,
de enige macht die het Europees kapitalisme en imperialisme terug op gang kon
trekken. De strijd in de Derde Wereld tegen het kolonialisme en de strijd die
de arbeidersklasse voor de revolutie voerde, bedreigden de macht van de burgerij.
Spaak zei toen: "Het Europa waar wij over praten is een Europa waar zowel
Azië als Afrika tegen revolteren, een Europa dat sinds vijf jaar in angst leeft
voor de Russen." (139)
In 1956 bieden de Amerikanen Spaak de post aan van secretaris-generaal van de
Navo. Een vertrouwenspost. Hij maakt er zich nuttig door de anti-communistische
haat te mobiliseren tegen de contrarevolutionaire opstand in Hongarije.
De SP/PS bleef trouw aan de Belgische kolonisatie van Kongo, van de eerste tot
de laatste dag! Zo kon men tijdens een debat in de Kamer in 1960 volgende woorden
horen, uitgesproken door de toenmalige voorzitter Collard: "Als mijnheer
Lahaye (een liberaal) zegt dat wij, de Socialistische Partij, al jarenlang de
Kongolezen aanzetten tot onafhankelijkheid, dan wil ik hier toch wel benadrukken
dat dat precies het tegenovergestelde is van de waarheid. (Heel goed!, op de
socialistische banken.) Op geen enkel ogenblik en evenmin 'sinds jaren' hebben
wij de Kongolezen ertoe aangezet de onafhankelijkheid te vragen. Wij hebben
in Kongo nooit campagnes, bewegingen of organisaties opgezet die op open of
clandestiene wijze het Kongolese volk ertoe aanzetten de onafhankelijkheid te
vragen." (140)
In 1964 speelt Spaak opnieuw als minister van Buitenlandse Zaken een doorslaggevende
rol in het op poten zetten van een internationale interventiemacht in Kongo.
Die interventiemacht was samengesteld uit Zuid-Afrikaanse, Rhodesische en Europese
huurlingen, Katangese gendarmes, Belgische soldaten en Amerikaanse piloten.
Die troepenmacht smoorde de volksopstand die door Pierre Mulele geleid werd
in het bloed.
[ Inhoud | Deel
4 ]